Wegbereider van een nieuw Europa

Hij was pionier van de Europese integratie. En bezorgd over een chronisch gebrek aan politiek leiderschap in Europa.

‘Mom’ Wellenstein in zijn werkkamer in zijn woning in Duinzigt, Den Haag. Foto Roel Rozenburg

Met alle plezier wilde hij meewerken aan de documentairereeks In Europa die de VPRO-tv wijdde aan het gelijknamige boek van Geert Mak. Maar hij stelde wel twee voorwaarden: de makers moesten hem ophalen en thuisbrengen, en hij moest af en toe een sigaartje mogen opsteken. Beide waren geen probleem.

 Zo zien we Edmund Peter Wellenstein, die zaterdag op 96-jarige leeftijd in zijn woonplaats Den Haag overleed, al rokend nog een keer teruggaan naar de plek in Luxemburg waar hij in 1952 aan de wieg stond van de Europese Gemeenschap voor Kolen- en Staal (EGKS), de voorloper van de huidige Europese Unie.

 „Met zijn charme nam hij de hele crew voor zich in. We hingen allemaal aan zijn lippen. De hele reis, heen en terug, was voor hem één grote thuiswedstrijd”, herinnert Edmond Hofland zich, medesamensteller van de aflevering die begin januari 2009 werd uitgezonden.

 Met Wellenstein – ‘Mom’ voor iedereen die hem kende, naar een familiaire verbastering van zijn voornaam – is een van de laatste getuigen van dat eerste uur verscheiden. Hij was een van de pioniers die het door twee wereldoorlogen en een diepe economische crisis geteisterde Europa op een nieuwe leest schoeiden. En hij was degene die, begin jaren ’70, namens ‘Brussel’ het Verenigd Koninkrijk de toenmalige Europese Economische Gemeenschap (EEG) binnenloodste.

 Anno 2016 is het bijna niet meer voor te stellen wat voor moed, verbeeldingskracht en vastberadenheid deze wegbereiders van ‘Europa’ aan de dag hebben gelegd om de gezaaide haat te overwinnen en de aartsrivalen Frankrijk en Duitsland met elkaar en hun buren te verzoenen.

 Die even immense als brisante achtergrond gaf extra lading aan de verbijstering, die zich van Wellenstein (en consorten) meester maakte toen euroscepsis meer en meer politiek wortel schoot in Europa. Hij ervoer die ontwikkeling, inclusief de Britse neiging tot een Brexit, als onbegrijpelijke verkwanseling van een „kostbare erfenis”.

 Critici die de believers weg probeerden te zetten als „naïeve eurofielen”, diende Wellenstein gedecideerd van repliek:

Als wij al ‘gelovigen’ waren, dan toch gelovige ambachtslieden, bezig met een nuchter handwerk.

 Wellenstein kwam bij toeval terecht bij de ‘gideonsbende’, zoals hij de discipelen van de Franse politici Jean Monnet en Robert Schuman wel noemde. Hij zat als beginnend ambtenaar koud een week op het ministerie van Buitenlandse Zaken toen Schuman, de Franse minister van Buitenlandse Zaken, op 9 mei 1950 zijn historische toespraak hield over Europese integratie op het gebied van kolenwinning en staalproductie.

 „Toen we dat hoorden, was ik meteen zeer involved. Ik dacht: ‘Die kant moet het uit’ ”, zei Wellenstein daarover. Twee jaar later stapte hij zelf over naar de Hoge Autoriteit van de EGKS in Luxemburg om de plannen in praktijk te brengen en zo de basis te leggen voor de latere Europese Economische Gemeenschap (1957), die in 1993 overging in de Europese Unie.

 Wellenstein werd in 1919 (tijdens verlof van zijn ouders) geboren in Nederland, maar groeide op in Batavia (nu Jakarta) in het toenmalige Indië, waar zijn vader namens de Nederlandse regering commissaris was van de Javaanse Bank. Na diens overlijden, in 1934, maakte hij het gymnasium in Bussum af, gevolgd door de studie natuurkunde aan de TH in Delft.

 Daar werd hij in 1942 opgepakt wegens betrokkenheid bij het studentenverzet. Een half jaar werd hij opgesloten, als ‘Nummer 46’, in het door SS’ers geleide Kamp Amersfoort. Zijn herinneringen aan die zwarte episode verschenen zeventig jaar na dato in een indringende getuigenis, getiteld Nummers die een ziel hebben.

 Hoe deprimerend ook, Wellenstein hield aan zijn werk in het verzet en zijn verblijf in het beruchte kamp vriendschappen over die zijn verdere leven een beslissende wending zouden geven. Om er drie te noemen: Inga van der Straaten, met wie hij in 1946 zou trouwen en met wie hij zes kinderen grootbracht (zij overleed begin 2011); Marie Anne Tellegen, die na de oorlog directeur zou worden van het Kabinet van de Koningin en hem overhaalde daar ook te komen werken; en Max Kohnstamm, die de eerste secretaris-generaal van de EGKS zou worden en hem naar Luxemburg haalde toen hij amper 33 jaar was.

 Bijna 25 jaar zou zijn loopbaan door de zich uitbreidende Europese instellingen beslaan. Die bracht hem tot hoogste ambtenaar op het directoraat-generaal voor buitenlandse betrekkingen van de Europese Commissie in Brussel. Onderweg, begin jaren zeventig, had hij de ambtelijke leiding over de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk over toetreding tot de EEG, die toen nog uit de zes landen bestond (Duitsland, Frankrijk, Italië en de Benelux).

 Zo overtuigd als hij was over nut en noodzaak van verdere Europese integratie, zo goed hield hij zijn politieke kleur verborgen. Affiliaties met politieke partijen waren voor hem als publieke dienaar uit de boze. „Moet niet, mag niet, hoort niet”, antwoordde hij desgevraagd.

 Misschien wel daarom bleef hij in de bijna veertig jaar na zijn pensionering een veelgevraagd commissaris (Shell, Unilever, ABN Amro), adviseur (Adviesraad Internationale Vraagstukken) en informant inzake Europese kwesties. Zonder uitzondering leerden zij hem kennen als aimabel, scherpzinnig en welbespraakt.

 Zo werden talloze bestuurders, diplomaten, politici, publicisten en wetenschappers schatplichtig aan zijn inzichten. Als Wellenstein observeerde (in 2009) dat Nederland „op de verraderlijke getijden van de wereldpolitiek” al decennia navigeerde in het konvooi van de Europese Unie en dat het zaak was „dat zonder mitsen en maren aan het electoraat uit te leggen en onze internationale politieke inspanningen op het wèlvaren van ons konvooi te richten”, dan hoefde het niet te verbazen dat die beeldspraak vervolgens opdook in hun columns, analyses en toespraken.

 Volgens Wellenstein sloeg de Europa-gezindheid in Nederland om in 2002, bij het aantreden van het eerste kabinet-Balkenende (van CDA, VVD en LFP) na de moord op Pim Fortuyn. ‘Integratie’ heette in de regeringstukken voortaan ‘samenwerking’. Onthutsend, vond hij.

Wij zijn Europa gaan behandelen als een luxeprobleem.

 Als voornaamste oorzaak zag hij een chronisch gebrek aan politiek leiderschap. Zijn „trieste teleurstelling” daarover verwoordde hij (in 2006) in het maandblad Internationale Spectator: „Van een vanzelfsprekende, heilzame en voor Nederland als founding father prestigieuze dimensie van ons beleid, is in twee jaar tijd het beeld van de Europese integratie omgeslagen in dat van een vreemde, oncontroleerbare macht, die het op onze eigenheid gemunt heeft.”

 En toen moesten de inbreuken op dat beeld door de crises rond schulden en migranten nog komen. Wellenstein zou ze, onder het genot van een sigaartje, tot kort voor zijn dood op de voet blijven volgen en becommentariëren. „Met angst en beven”, zoals hij zei.