Watersport of pleziervaart, dat maakt voor btw veel uit

Deze rubriek belicht elke dinsdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Vandaag: btw en frisdrankflesjes.

Foto Valerie Kuypers / ANP

Als het over belastingen gaat, is onenigheid nooit ver weg. Neem de belasting over toegevoegde waarde, die in de Europese Unie onder een speciale richtlijn (wet) valt en ook ‘diensten’ aan de btw onderwerpt.

Zoals zo vaak zijn er uitzonderingen. Zo mag voor sommige diensten die nauw samenhangen met de beoefening van sport en die door instellingen zonder winstoogmerk worden verleend aan sporters, geen btw worden geheven, tenzij die vrijstelling de concurrentie door commerciële ondernemingen verstoort.

Op grond van deze uitzonderingsbepaling heft Nederland geen btw op de verhuur van ligplaatsen voor boten aan leden van watersportverenigingen, mits die verenigingen geen personeel in dienst hebben.

Twee keer fout, oordeelde de Europese Commissie in 2009 over deze toepassing van de btw-richtlijn. In de eerste plaats omdat de Nederlandse vrijstelling zich ook uitstrekt tot de verhuur van ligplaatsen voor boten voor louter recreatief gebruik. Daardoor vallen ligplaatsen voor motorbootjes voor pleziertochtjes er ook onder. Te ruim, vindt de Commissie, want daarvan kun je toch niet serieus volhouden dat ze ‘nauw samenhangen met de beoefening van sport’, zoals de richtlijn dicteert.

En in de tweede plaats omdat Nederland voor de btw-vrijstelling eist dat de verenigingen geen personeel in dienst hebben. Te beperkt, vindt de Commissie, want de richtlijn staat een dergelijke voorwaarde helemaal niet toe.

Nederland was het daar, uiteraard, niet mee eens. Maar het werd vorige week door de hoogste Europese rechter, het Hof van Justitie van de EU in het ongelijk gesteld. De uitleg van de Commissie zegevierde en Nederland moet zijn btw-regime voor watersportverenigingen aanpassen.

    • Joop Meijnen