Voortgaan en kapot gaan in stijl

Niet eerder begon ik slechter voorbereid aan het wielerseizoen dan dit jaar. Als columnist, bedoel ik. Ik was op een lange reis door Vietnam en Cambodja. Terwijl het peloton zich op gang trok Down Under en in de zandbakken van een paar oliestaatjes waar zelfs de kamelen zich wentelen in goudkorrels, bezocht ik een paar historische kantelpunten uit mijn jeugd. Ik noem My Lai, het buurtschap dat inclusief bewoners door Amerikaanse militairen van de aarde werd weggevaagd in de hoop de Vietcong te treffen. Ik noem The Killing Fields, de massagraven waarin Pol Pot de tegenstanders van een sullig gecomponeerde heilstaat opborg. Pol Pot is in elk geval geslaagd in zijn missie: Cambodja is nog steeds een uitgebeend land.

Maar ik moet zeggen dat de wifi in zowel Vietnam als Cambodja acceptabel was. Dankzij een paar telefoonapps kwam ik toch aan de weet wie waar de zeges had weggekaapt. De wifi was dan weer wel een fractie te zwak om filmpjes te kunnen bekijken. Het was een gemis, maar niet onoverkomelijk. Mijn hoofd was nu eenmaal waar het was: in Zuidoost Azië.

Ik ging een stukje fietsen zaterdag. Het viel niet mee. Wie lang de pedalen onberoerd heeft gelaten trapt in het luchtledige, al is dit geen adequate omschrijving. Het is eerder trappen in mest. Comfortabel gekleed in winddicht tenue hing ik tegen de noordooster als was het een doornheg. Toen gebeurde het. In de haast thuis te komen om de eerste tot de laatste minuut van de Omloop Het Nieuwsblad rechtstreeks op televisie te zien, overviel me deze emotie: medelijden.

De jongens, nog niet in beeld maar al wel een hele poos in koers, hingen ook tegen dezelfde snijdende noordooster. Hun doorvoede en in deze of gene zandbak goed doortrainde benen trapten niet direct in mest, maar ook voor hen was het erop of eronder in een voorjaar dat nog steeds winter was.

Medelijden hebben met wielrenners, het is me nog nooit overkomen. Klimaat, parcours, het kon me niet gek genoeg zijn. Wielrenner wordt je niet om in een zandbak te spelen.

Toen ik met de tong op mijn schoenen de televisie aanzette zag ik dat de turbulente noordooster niet goed in beeld werd gebracht. Het lijden was een bagatel. De wind woei, maar ik voelde hem niet. Ik kon me ook niet meer herinneren iets van medelijden te hebben gevoeld.

De kleine kopgroep met Van Avermaet en Sagan beukte machinaal voort. Het was voortgaan en kapot gaan in stijl. Mij was het om het even wie er won. Beiden zijn wonderkinderen. Sagan de flierefluiter, Van Avermaet de fluisterstille flandrien. Als Van Avermaet niet had gewonnen had ik geen medelijden met hem gehad. Hij is de meest stabiele verliezer van allemaal.