Nog één keer zet Theo Bos alles op alles

Theo Bos is terug bij zijn oude liefde: het baanwielrennen. Deze week mag hij zich bewijzen op het podium waar hij in 2008 genadeloos afdonderde. Inzet op het WK in Londen: nog een keer naar de Spelen.

Theo Bos op de baan in Alkmaar, in voorbereiding op de WK sprint. Foto Bram Budel

‘In 2008 was ik de realiteit uit het oog verloren. Hoe dichterbij de Spelen [Beijing, red.] kwamen, hoe slechter het met me ging, maar dat wist ik toen niet. Tunnelvisie, dat was het. Ik maakte me druk om alles, alles moest perfect zijn. Ik was al bang om 200 meter naar de bakker te lopen, bang om moe te worden, alles wat enigszins slecht voor me zou kunnen zijn moest ik zien te ontwijken. En eigenlijk raakte ik daardoor steeds verder uit balans. Ik was altijd maar bezig met de volgende training, met de planning, schema’s. Vooruitkijken in plaats van in het moment leven. Daardoor verloor ik de focus op de sessie van vandaag en liep alles in Beijing in het honderd. Dat was een erg harde leerschool.

In de jaren daarvoor won ik alles, maar altijd net aan. Ik merkte aan mijn lichaam dat ik in 2006 aan mijn plafond zat, terwijl de concurrentie grote stappen vooruit maakte. En ondertussen bleef ik me maar vastbijten in het bekende ritme van trainingen, ik klampte me vast aan het oude plan dat me zoveel succes had bezorgd, bang om vrij te zijn, bang om dingen anders te doen. Voorafgaand aan de Spelen heb ik me op die manier gewoon kapot getraind, terwijl ik rust had moeten nemen om weer fris te worden na de WK [in 2008, Bos verloor voor het eerst in drie jaar een sprintwedstrijd, van de Brit Chris Hoy].

Onbereikbaar niveau

Stom genoeg voelde ik me de week voor dat toernooi al slecht. Trainingen in Alkmaar gingen niet goed. En maar blijven vasthouden aan de structuur die ik gewend was. Ik kon daar niet meer uitkomen. Terwijl ik in het dagelijks leven helemaal niet zo’n extreme planner ben. Mij breng je niet snel van de wijs met veranderende situaties. Behalve als het om mijn sport gaat. Dan moet alles gepland worden. Of nou ja, moest.

Op de weg leer je dat wel los te laten. Daar valt niets vooruit te plannen, want elke koers is anders. Nu denk ik: waar heb ik me toen toch druk om gemaakt? Een wereldtitel meer of minder is geen ramp, al denk ik wel dat het anders was gelopen als ik in Manchester weer wereldkampioen was geworden. Hoewel: Usain Bolt liep in Beijing heel hard. Alles kwam samen op de atletiekbaan. Dat hadden de Britse baanwielrenners ook. Dat niveau was voor mij gewoon onbereikbaar. Zij waren zo goed, en dat zag je al van verre aankomen. Dat werkt ook wel door op je moraal ja. Niet dat ik mijn vechtlust was verloren, maar ik wist eigenlijk al: brons is het maximaal haalbare.

Puur toeval

De dominantie van de Britten speelde mee in mijn besluit om naar de weg over te stappen [eind 2008, red.]. Maar ik had ook van jongs af aan al het idee om ooit weer wegwielrenner te worden. Ik vind het heerlijk om buiten te zijn, de natuur in, samen met anderen. Als kind was ik al graag buiten, spelen met de elementen. Toen ik negen jaar was begon ik met fietsen. Jan [zijn acht jaar oudere broer, veelvoudig wereldkampioen schaatsen, red.] moest in de winters altijd fietsen en daardoor ben ik dat ook gaan doen. Hij liet zien wat het betekende om topsporter te zijn. Maar het was puur toeval dat ik in 2000 op de baan terechtkwam. Er ging een jongen op zijn bek en ik mocht hem vervangen op de kilometer tijdrit. Dat ging zo goed dat ik naar de WK mocht. Ik eindigde als achtste. Een jaar later werd ik wereldkampioen bij de junioren op dat onderdeel. Toen ben ik maar gestopt op de weg, waar ik trouwens ook wel eens won, kleine massasprints. De Omloop van de Veluwe, dat is mijn mooiste overwinning uit die tijd.

In 2004 heb ik contact gehad met Nico Verhoeven [toen ploegleider van het Continental Team van de Rabobank, de opleidingsploeg, red.] om te kijken of ik me bij hen aan kon sluiten. Maar ik had niet het idee dat ik daar toen al klaar voor was. En ik wist: er zit meer in mijn baancarrière.

Astmapuffer

Maar in 2008 besloot ik het toch te gaan proberen. Ik was toen inderdaad wel even klaar met de baan ja. Mijn droom: een etappeoverwinning in de Tour de France. Vorig jaar was mijn grote kans om voor de Tour geselecteerd te worden. Maar in mei maakte ik in de Ronde van Californië een remfout en vloog ik uit de bocht. Mijn rechterschouder in puin, superkut. Maar daarvoor liep het eigenlijk al niet echt lekker. Het was niet zo dat ik structureel goede sprints reed. Toen ik nog bij Rabobank en Belkin reed was ik ook niet goed genoeg. Het valt niet mee om je er in die ploeg tussen te fietsen. Uiteindelijk heb ik één keer de Vuelta en één keer de Giro mogen rijden, maar ik reed ze allebei niet uit. Valpartij en een keer een te laag cortisolgehalte door zo’n astmapuffer. Deden ze net of ik een misdadiger was, of ik doping had gebruikt.

Ritzege in de Ronde van Polen

De Tour heb ik inmiddels wel uit mijn hoofd gezet. Dat is een bizarre wedstrijd, ik denk te zwaar voor mij. Het is niet realistisch meer. Ik was blij dat Cavendish dit jaar naar mijn ploeg [Dimension Data, Zuid-Afrikaans, red.] kwam. Daardoor werden mijn kansen groter; ik zou als zijn gangmaker mee kunnen. Maar het is onhaalbaar gebleken en dat heb ik al lang geaccepteerd. Betekent niet dat ik ontevreden ben over die zeven jaar op de weg. Ik ben trots op mijn etappeoverwinning in de Ronde van Polen [augustus 2014, red.]. Daar heb ik grote sprinters verslagen. En ook op mijn 56ste plaats in Parijs-Roubaix [2010, red.]. Ik was daar gangmaker voor Thor Hushovd [die tweede werd, red.]. Supermooi.

De ritzege van Bos in de Ronde van Polen:

Ik heb zo zwaar afgezien als wegwielrenner, man, dat is het lekkerste gevoel wat er is. Dat je in een waaier zit en goed mee kan komen met de rest, dat je tegen je limiet zit maar daar controle over hebt. En een etappe winnen na een massasprint, dan voel je je echt de koning.

Weet je, op de weg ben ik een stuk volwassener geworden, dat mag je rustig stellen. Ik heb daar echt het maximale uit mezelf gehaald en dat heeft me veel voldoening gegeven. Daardoor schaal ik die twee carrières gelijk aan elkaar, ondanks mijn vijf wereldtitels op de baan. Dit ben ik waard en daar heb ik vrede mee. Plaats ik me voor Rio, plaats ik me niet voor Rio; ik vind het allebei goed. Ik kijk niet meer vooruit, want ik weet nu: als ik verlies komt de zon morgen ook nog wel op.”