Het kan nu, verhoog dus eindelijk eens de lonen

Zo jaag je de economie aan, schrijven Agnes Jongerius en John Kerstens.

De productiviteit stijgt, de winsten schieten omhoog maar de lonen blijven ver achterop. Dat is niet goed. Niet goed voor al die werknemers die deze winsten mogelijk maken. Niet goed voor de economie die nog best een duwtje kan gebruiken. De lonen kunnen en moeten daarom omhoog. Dit is zeker geen links stokpaardje. Ook Klaas Knot, de president van de Nederlandsche Bank, vindt dat de tijd van loonmatiging voorbij is.

Afgelopen maand boekten de werknemers in de metaalindustrie een belangrijke overwinning. Na ruim negen maanden van stakingen en acties gingen de werkgevers eindelijk door de knieën. Het resultaat mag er dan ook zijn; ruim 140.000 hardwerkende mannen en vrouwen krijgen de komende drie jaar 5,9 procent loonsverhoging.

Lees ook: Groep ‘working poor’ in Nederland groeit

Toch is dit akkoord helaas eerder uitzondering dan regel. De lonen groeien namelijk al meer dan tien jaar structureel niet mee met de productiviteit. Ondertussen stijgen wel de dividenden voor aandeelhouders ieder jaar opnieuw, waardoor beleggers beter af zijn dan de werknemers in Nederland. Dat is schadelijk voor ons land én voor de landen om ons heen.

Met de winstgevendheid van onze industrie is het over het algemeen goed gesteld. Zo zagen onder andere AkzoNobel, DAF en Philips in 2015 de winsten behoorlijk stijgen. Deze trend is al langer aan de gang. Al in 2014 nam bij onder andere veel industriële (plus dertien procent) en bouwbedrijven (plus zes procent) de omzet flink toe ten opzichte van 2013.

Aan dit succes hebben de medewerkers van deze ondernemingen in belangrijke mate bijgedragen. Het CBS berekende onlangs dat de productiviteit van de Nederlandse arbeider sinds 2002, op een dip na direct na de crisis, een constante stijgende lijn heeft laten zien.

Toch is dit niet terug te zien in de loonontwikkeling. Deze nam in het afgelopen decennium maar mondjesmaat toe. Dit heeft verschillende oorzaken. Ten eerste hebben werkgevers dankzij de hoge werkloosheid een sterkere positie: voor jou tien anderen. Daarnaast zorgt de doorgeslagen flexibilisering voor een neerwaartse druk op de reële lonen. Veel werkgevers hanteren een steeds grotere ‘flexibele schil’; een soort wegwerpmedewerkers waaraan ze veel minder sociale kosten hebben.

Gevolg hiervan is dat Nederland een groot overschot heeft op de lopende handelsbalans. Vorig jaar ruim elf procent. Wij exporten dus elf procent meer waarde dan we importeren. Dat klinkt goed, maar dat is het niet. Het is uiteindelijk schadelijk voor zowel onze eigen economie als voor de landen waarmee we handel drijven. Het is slecht voor onze economie omdat werknemers die minder verdienen ook minder consumeren. En ondanks alle loftrompetten over het belang van export blijven binnenlandse bestedingen dé motor van economische groei.

Om dit tegen te gaan heeft de Europese Unie dan ook de regel dat een lidstaat geen groter overschot mag hebben dan zes procent. Helaas wordt hier, anders dan de drie procent voor begrotingstekort, nauwelijks een punt van gemaakt. Feit is dat landen als Duitsland, Denemarken en Nederland met hun loonmatiging en exportobsessie de Europese economie blokkeren. Een Nederlandse lasser die voor te weinig werkt, koopt minder Spaanse olijven of stelt die nieuwe Italiaanse wasmachine nog even uit. Slecht voor Spanje en Italië, slecht voor de importeur en slecht voor de Nederlandse detailhandel.

Om werkelijk uit deze voortslepende crisis te komen, zullen de reële lonen moeten stijgen. Dat is de enige manier om zowel onze eigen als de Europese economie er structureel bovenop te helpen. Daarom wensen we de vakbeweging veel sterkte toe bij de komende ronde van onderhandelingen.

Aan de werkgever zeggen we dit: denk niet alleen aan steeds hogere dividenden voor je aandeelhouders. Denk ook aan het grotere plaatje en laat de Nederlandse werknemer meedelen in de winst die hij zelf gecreëerd heeft. Daar wordt iedereen beter van.

    • Agnes Jongerius
    • John Kerstens