Column

Familietwist

Met enkele familieleden zat ik op een verjaardag het aanbod van recente speelfilms door te nemen. Een prikkelend en nuttig tijdverdrijf, waar de kiem van het bioscoopbezoek wordt gelegd. Je kunt net het duwtje krijgen dat nodig is als de recensies je niet voldoende overtuigd hebben.

Ze wilden mij naar The Revenant krijgen, maar ik had er weinig trek in na het zien van de trailer. Dat is het enige nut van die vreselijke trailers die – soms drie, vier achter elkaar – je veel te lang afhouden van datgene waarvoor je gekomen bent. Dankzij de trailer heb ik heel wat slechte films kunnen overslaan.

In deze trailer zat Leonardo DiCaprio in een desolaat winterlandschap te zwoegen op een briesend paard, achterna gezeten door andere mannen, ook op briesende paarden. Hij schoot iemand uit een boom, wat niet makkelijk is, maar je zag hem ook op zijn rug in de modder liggen terwijl het bloed over zijn gezicht liep. Hij wilde wraak nemen op een andere jager, liet ik me vertellen.

„Prachtig, die natuur”, zei iemand, „onvergetelijk goed gefilmd.”

„Dat soort natuur heb ik al eens in Noorwegen gezien”, zei ik.

„In het begin zit een gevecht met een beer”, zei een ander, „absoluut bloedstollend. En het is nog waar gebeurd ook.”

„Ik heb al eens een documentaire gezien waarin iemand écht werd opgegeten door een beer”, zei ik, „daar gaat niets boven.”

Ik liet me niet overhalen. „Ik heb genoeg spektakelfilms gezien, ik hoef niet meer. Als je ooit Charlton Heston als Ben-Hur hebt gezien, ben je voor de rest van je leven op dit gebied gepokt en gemazeld.”

Ik hoorde mezelf onuitstaanbaar worden met dat gepraat over wat ik allemaal eerder gezien had, en daarom volstond ik verder met een citaat van filmer Paul Verhoeven dat ik net in de Volkskrant had gelezen. Hij zei over The Revenant: „Leuk verhaaltje, denk ik dan. Maar interessant? Man moet surviven om aan het slot de gemenerik koud te maken. Einde. Daar heb je dan 2 uur op zitten wachten… Nietwaar?”

Mijn familieleden besloten nu wraak op mij te nemen, mogelijk geïnspireerd door het personage van DiCaprio. „Jij wilt ons zeker weer naar zo’n saaie artfilm hebben waar je zo dol op bent”, riepen ze. „Zo’n film waarin nooit iets gebeurt en ze alleen maar een beetje vaag over de liefde en de dood lullen. Mooi niet!”

„Jazeker”, zei ik zo bedaard mogelijk, „morgen ga ik weer naar zo’n film: Dust In The Wind, een film uit 1986 van Hou Hsiao-Hsien, een Taiwanese filmer aan wie Eye een retrospectief wijdt.” „Hou wie?”, vroegen ze. Ik herhaalde de naam en probeerde hem zelfs zo Taiwanees mogelijk uit te spreken, hoewel ik geen idee had hoe dat moest. Ze knikten sceptisch.

De volgende dag zat ik met dertig andere cinefielen naar Dust In The Wind te kijken. Ik kende het werk van Hou Hsiao-Hsien niet, hij scheen menig meesterwerk te hebben gemaakt, maar deze film hoorde daar, wat mij betrof, niet bij. Het ging over een dromerige Taiwanese jongen die overal buitenstaander bleef en ten slotte door zijn meisje in de steek gelaten werd. Dat was alles. De film duurde twee uur en sleepte zich naar het einde. Hou Hsiao-Hsien is een groot stilist, maar het lot van zijn personages liet me koud.

Mag ik iedereen verzoeken dit stukje niet aan bovengenoemde familieleden door te spelen?