Deal met Vakcollege illustreert noodzaak van transparantie

Het was nog wel zo’n goed idee. De techniekopleidingen van het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) kampten met steeds meer leerlingen die hun opleiding niet afmaakten. Scholieren die liever met hun handen werkten, als lasser of loodgieter bijvoorbeeld, haakten af bij het leren uit boeken. Vraag vanuit het bedrijfsleven naar technisch geschoold en vakpersoneel en aanbod van deze leerlingen door de vmbo’s liepen steeds meer uiteen.

Twee ondernemers zagen kansen en grepen die in 2007. Zij waren Hans de Boer (sinds medio 2014 voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW) en Hans Kamps, toen een van de onafhankelijke experts in de Sociaal Economische Raad die door het kabinet worden benoemd. Zij vonden nog drie partners, waaronder het beursgenoteerd uitzendbedrijf USG. Zij verdeelden de aandelen: 20 procent voor alle vijf. Het Vakcollege was geboren. Scholen konden het concept kopen als franchisenemer, zoals dat gebeurt bij winkelketens en bijvoorbeeld McDonald’s.

Nog voordat er ook maar een leerling met goed gevolg het Vakcollege had doorlopen, verkochten de oprichters hun aandelen al weer aan de uitzendreus.

Het onthullende verhaal zaterdag in deze krant over hoe de ondernemers vervolgens elk een miljoen euro verdienden aan dat idee van het Vakcollege zou je nog kunnen lezen als een moderne versie van het handige-jongensboek.

Maar de gang van zaken roept ook enkele onrustbarende vragen op. De overgang van het Vakcollege naar uitzendbedrijf USG zagen de scholen niet als logisch vervolg van de samenwerking. Zij maakten tevens bezwaar tegen de monopoliepositie die USG wilde hebben ten opzichte van hun leerlingen. Vervolgens probeerde USG het Vakcollege te verkopen aan het ministerie van Onderwijs. Daarvoor zetten ook de voormalige twee oprichters zich in, zonder dat iedereen wist of kon weten dat zij bij een verkoop nogmaals beloond zouden worden. Dat laatste ging niet door. Het ministerie betaalde uiteindelijk 1 euro.

In het grijze gebied van publieke geldstromen, publieke instituten die het algemeen belang moeten behartigen en ondernemers die ook hun geldelijke belang nastreven, liggen de schijn van belangenconflicten en van echte tegenstellingen voor het oprapen. Dat vereist van alle partijen eerlijkheid en complete openheid vooraf, ook over belangen en betalingen bij een verkoop. Dat ontbrak hier. Op basis van transparante verhoudingen kunnen onderwijs en ondernemers genoeg voor elkaar blijven betekenen.