Wie heeft er gelijk over de Nederlandse IS-strijders?

Zijn er nu wel óf niet acht Nederlandse jihadisten gedood in Syrië? Twee bronnen, twee verhalen. 
Een IS-vlag wappert nabij Raqqa. Foto Reuters/Stringer

Twee van de meest geciteerde bronnen over de oorlog in Syrië spraken elkaar dinsdag faliekant tegen over de executie van acht Nederlandse jihadisten in Syrië. Volgens Raqqa Is Being Slaughtered Silently waren die executies een feit, volgens het Syrian Observatory for Human Rights hadden die helemaal niet plaatsgehad. Een portret van twee nieuwsorganisaties, die beide een opmerkelijke rol spelen in het Syrische conflict.

Raqqa Is Being Slaughtered Silently

Gevaarlijker journalistiek is bijna niet denkbaar. Maar al sinds april 2014 voorzien de medewerkers van Raqqa Is Being Slaughtered Silently de buitenwereld van nieuws over de toestand in de gebieden die in handen zijn van Islamitische Staat. Uit het hol van de leeuw dus, veelal aan de hand van waarnemingen uit de eerste hand.

Ook al zijn het eerder activisten dan pure journalisten, toch hebben ze geleidelijk aan een vrij solide reputatie opgebouwd. Eind 2015 werden ze zelfs in New York onderscheiden met de International Press Freedom Award van het CPJ, het Comité voor de Bescherming van Journalisten. Aan die reputatie was ook te danken dat de berichten van RBSS over de executie van Nederlandse jihadisten maandag door de meeste media meteen serieus werden genomen.

RBSS werd in 2014 opgericht nadat zes seculier ingestelde studenten in Raqqa uit hun huis waren gezet door IS en met de dood bedreigd omdat ze zich niet bij de IS-heerschappij wilden neerleggen. Bij wijze van verzet besloten ze aan de hand van videofilmpjes en berichten op een website en via Twitter en Facebook de misdaden, de leugens en het wanbestuur van IS te documenteren. Zo waren zij de eersten die gefilmde beelden van kruisigingen smokkelden uit Raqqa, door IS uitgeroepen tot hoofdstad van hun 'kalifaat'.

De activiteiten van RBSS worden grotendeels vanuit Turkije gecoördineerd. Inmiddels telt RBSS zo’n 25 medewerkers, die elkaars identiteit om veiligheidsredenen meestal niet eens kennen. Mochten ze gevangen worden genomen en worden gemarteld, dan kunnen ze niet de namen van collega’s verraden.

Dat IS ze te grazen neemt is heel goed denkbaar. De organisatie is er zeer op gebrand om deze critici uit de weg te ruimen. „Het feit alleen al dat wij bestaan is een kaakslag voor IS”, aldus Abu Mohammed, een vooraanstaande RBSS-medewerker, die vorig najaar zelfs in de Tweede Kamer verscheen op een hoorzitting. Verscheidene medewerkers zijn inmiddels al gedood, twee van hen werden zelfs thuis in hun flat onthoofd. Ook deinsde IS er niet voor terug om de in Syrië achtergebleven vader van Hamoud al-Moussa, een van de oprichters van RBSS, te gijzelen en vervolgens te doden.

Syrian Observatory for Human Rights

Een van de meeste geciteerde bronnen over de Syrische oorlog in de internationale media – van The New York Times tot de BBC - is het Syrian Observatory for Human Rights. Achter deze groots klinkende naam gaat een bescheiden bureautje schuil, gevestigd in een rijtjeshuis in de Britse industriestad Coventry. Het wordt gerund door Abdul Rahman (45), een Syrische balling, die al ruim 15 jaar geleden vluchtte nadat het regime van president Assad hem verscheidene keren gevangen had gezet wegens zijn oppositie tegen het regime. Het Observatory werd al in 2006 opgericht maar pas na het uitbreken van de Syrische burgeroorlog in 2011 trok het – bij afwezigheid van neutrale journalisten in Syrië - plotseling veel belangstelling.

 

Van ‘s ochtends 5.30 uur, wanneer hij begint te bellen met zijn contacten in Syrië, tot ’s avonds laat is Abdul Rahman vrijwel non-stop bezig om nieuws en gegevens te verzamelen over de strijd en de toestand in Syrië. Tot wanhoop vaak van zijn vrouw en kind. Zijn berichten verschijnen op de website van het Observatory. Een andere vriend vertaalt de Arabische verhalen ook in het Engels. Ook staat Rahman dagelijks veel bellende journalisten te woord. De spaarzame tijd die hij nog overheeft, spendeert hij in de kledingwinkel die hij samen met zijn vrouw drijft in de buurt van zijn huis.

Abdul Rahman werkt via een handvol oude vrienden in Syrië, die op hun beurt weer een netwerk van ruim 230 mensen kunnen aanboren voor nieuws over ontwikkelingen her en der in Syrië. Het Observatory komt vaak, als een van de zeer weinigen, met gedetailleerde cijfers over het aantal doden en gewonden na bombardementen of gevechten.

Die cijfers zijn doorgaans niet goed te verifiëren. Toch nemen de meeste buitenlandse media de meldingen van het Observatory serieus. Tekenend was dat de dodentallen die Abdul Rahman noemt ook lager lagen dan die van de Verenigde Naties, toen die nog regelmatig met cumulatieve schattingen van de aantallen slachtoffers kwamen.

Waren er aanvankelijk nog critici die vonden dat het Observatory meer aandacht had voor geweld van de kant van het Syrische regime en minder voor dat van verzetsgroepen, de laatste jaren zijn steeds meer waarnemers ervan overtuigd geraakt dat Abdul Rahman in de gegeven moeilijke omstandigheden tamelijk objectief te werk gaat.