Waarom hebben we zo veel snot?

Weinig mensen waarderen snot. De irritatie over nat hoesten en onafgeschermd niezen kan hoog oplopen. Maar ondertussen maakt het snot 25 miljoen ingeademde stofdeeltjes, virussen en bacteriën onschadelijk. Per uur, per neus. En evenzoveel kansen op een nieuwe verkoudheid en – dramatisch gezegd – op longkanker.

Die deeltjes raken vast in het dunne slijmlaagje (0,01 mm dik) dat neus, keel, luchtpijp en longen bekleedt. In en onder het slijm bewegen trilharen. Die zwiepen ongeveer duizend keer per minuut en bewegen het slijmlaagje naar beneden. Alles verdwijnt uiteindelijk in de keel. Zo werken onze trilharen dagelijks 1 tot 2 liter slijm weg.

Dat slikken we door. Maagzuur en andere spijsverteringssappen maken de indringers onschadelijk. De verteerde resten nemen we op als voedsel, of onze darmbacteriën weten er weg mee. Wat dan nog overblijft, poepen we uit.

In het slijmvlies zijn de trilhaarcellen in de meerderheid. Ertussen liggen de slijmproducerende cellen. Direct op het slijmvlies ligt dun slijm waarin de trilharen bewegen, bovenop ligt kleverig slijm dat de rommel vasthoudt. Alleen in de neus ligt al een slijmtapijtje van 10 bij 16 centimeter. Dat grote oppervlak ontstaat dankzij de gekromde lamellen waardoor de lucht een veel langere lucht aflegt dan de neus lang is. Zo wordt het meeste stof uit de lucht gevangen. Het grote oppervlak is ook een prachtige warmtewisselaar en bevochtiger. Slijm geeft zijn water makkelijk af aan droge lucht. Korstjes in de neus zijn het resultaat van droge binnenlucht, of vrieslucht. De lucht die in de longen aankomt heeft daardoor een luchtvochtigheid boven de 98 procent en is warmer dan 30 graden Celsius.

Er kan in neus en keel van alles misgaan. Tijdelijk, als er veel vuil of een irriterend gas binnenkomt. Dan reageren de slijmcellen binnen tienden van seconden met een veel hogere slijmproductie. Snot ligt in geconcentreerde vorm altijd opgeslagen in kleine membraanomhulde bolletjes (granules) in de slijmcellen. Eenmaal buiten de cel zwelt het geconcentreerde slijm snel tot een honderden keren zo groot volume.

Bij overproductie houdt het slijmvlies het slijmlaagje niet meer vast. Dan gaat de neus lopen, moeten we niezen en komen er klodders slijm los bij het keelschrapen en hoesten. Het snot verlaat de neus dan aan de verkeerde kant.

Stof is vervelend, maar de echte strijd vindt plaats tussen de mens enerzijds en anderzijds de virussen en bacteriën die ons willen infecteren. Snot verhindert dat. In de evolutionaire strijd is het nu zover dat het snot speciale moleculen bevat waar bacteriën zich lekker bij voelen. Ze plakken er graag aan vast en worden afgevoerd naar het zuur van de maag.

Maar er zijn bacteriën die die afvoer verhinderen doordat ze stofjes uitscheiden waar de trilharen van stilvallen. En virussen gebruiken het snot, en de fijne uitgenieste snotdruppeltjes, om naar zijn volgende gastheer te reizen.

Snot zit wel vol afweermoleculen die de afweer de weg wijzen naar de schadelijke indringers. Maar dat afweersysteem, met zijn bijbehorende signaalstoffen, keert zich tegen ons als het té vaak in actie komt.

Er zijn ontstekingsstoffen die de groei van nieuwe slijmvliescellen zo beïnvloeden dat er minder trilhaarcellen en meer slijmcellen groeien. Als die langdurig aanwezig zijn, laat het gevolg zich raden: meer snot, dat slechter wordt afgevoerd. Mensen met chronische bronchitis hebben daar vaak last van. Maar in het normale leven is snot een waardevol op ieder individu persoonlijk afgestemd preventief medicijn, van natuurlijke oorsprong.

    • Wim Köhler