Voor Ajax-spits zijn goals maar helft van ’t spel

Arek Milik maakte tegen AZ (4-1) zijn 12e en 13e goal. De Pool heeft veel te winnen, zoals de zekerheid van een basisplaats.

Arek Milik (midden) viert een feestje met ploeggenoten na de 1-0 tegen AZ. Foto ANP Pro Shots

Zijn eerste bezoek aan de Arena deed hem glunderen. Te midden van enkele tientallen andere voetballertjes van de club Rozwój Katowice zat Arek Milik op de tribune tijdens het Amsterdam Tournament van 2005. Ze namen die week deel aan een jeugdtoernooi in Almere en hadden ergens opgevangen dat er een interessant toernooi gaande was, waar naast Ajax ook Boca Juniors, FC Porto en Arsenal aan deelnamen. Voor een Poolse jongen van tien jaar was het een herinnering om te koesteren. Een vleugje grandeur dat afweek van zijn verstofte thuisomgeving in Polen.

Maar het verhaal werd mooier. Want anders dan voor al die andere spelertjes uit industriestad Katowice bleek de Arena voor Milik (22) geen onbereikbaar decor. Kijk hem deze zondag staan nadat hij op een reclamebord was geklommen. Rechtop met zijn armen gespreid, ten overstaan van duizenden supporters die juichten na de 1-0 van Ajax. De maker? Dat was hij. Alweer.

Nadat Milik vorig weekend met twee treffers beslissend was geweest tegen Excelsior, had hij zondag met twee goals ook een groot aandeel in de zege op AZ. De opponent was met zeven competitiezeges op rij bezig aan een imposante reeks, maar maakte in de Arena geen kans.

„Deze twee doelpunten zijn heel belangrijk voor me”, zei Milik. Niet alleen omdat hij zo weer een stap dichter is bij een rol als onbetwiste eerste spits van Ajax, maar ook omdat het een speciale dag was. „Ik ben jarig vandaag. Wat ik gekregen heb? Dat moet ik nog zien. Ik heb gewacht met uitpakken, want ik wilde me concentreren op deze wedstrijd.”

De positie van spits is misschien wel de moeilijkste bij Ajax. Het is bij uitstek de plek om te schitteren, maar tegelijk is het ook bij uitstek de plek om te falen. De erfenissen van mannen als Marco van Basten, Klaas-Jan Huntelaar en Luis Suárez bleken voor veel van hun opvolgers een zware last, die soms al snel werd doorgegeven.

Voorbeelden te over. Nikos Machlas was een geprezen topschutter bij Vitesse, maar onder supporters van Ajax werd al gauw zijn oude bijnaam opgediept: Nikos Lachgas. De Belg Wesley Sonck? Gehaald als held van Genk, maar bij Ajax zo ongelukkig dat hij blij was als hij zich bij de nationale ploeg moest melden. „Toen ik over de grens reed, begon ik spontaan te lachen”, zei Sonck indertijd. En dan was er nog Ivan Gabrich. De voor 5 miljoen gulden gehaalde Argentijn die helemaal niet kon voetballen. Letterlijk. Doelman Fred Grim zei over diens eerste training dat hij na een half uur nog steeds niet wist of Gabrich links- of rechtsbenig was.

Ze zijn misschien wel in te delen in drie categorieën. Sterren in wording, mislukkingen en degenen ertussenin, die jaren later alleen nog voorbijkomen in voetbalquizzen en verzamelboeken. Milik? Die heeft nog veel te winnen. De spits die voor 2,8 miljoen euro werd gekocht van Bayer Leverkusen maakte in 22 eredivisieduels 13 doelpunten, maar is nooit zeker van een basisplaats. Ja, tegen Excelsior en Roda JC. Maar niet tegen de klassieke rivalen. PSV-thuis: 16 minuten. Feyenoord-uit: 45. Feyenoord-thuis: 0. En dat steekt.

Na zijn twee doelpunten van vorige week erkende de Pool dat het moeilijke tijden waren. Hij was ook boos toen hij twee weken geleden voor het duel bij FC Groningen werd gepasseerd. Liep hij een half uur warm in de miezer, mocht hij negentien minuten invallen. Maar, zei hij: de trainer beslist, hij kon niets anders doen dan hard werken.

In plaats van Milik kiest Frank de Boer er soms voor om Anwar El Ghazi in de spits te zetten, omdat die balvaster is. De trainer is tevreden over het aantal doelpunten dat Milik heeft gemaakt, maar wil dat zijn aanvaller zich meer laat gelden in het spel. Kaatsen, meeverdedigen, passes geven, in plaats van enkel te wachten op die kans. Die concurrentiestrijd houdt iedereen scherp, meent De Boer.

Na zijn openingstreffer tegen AZ maakte Milik in de slotfase ook nog de 4-1. Binnenkant paal, na een dribbel vol klasse. Supporters in sfeervak 410 zongen „hiep, hiep, hoera” voor de jarige topschutter. Milik zou later vertellen dat hij in datzelfde vak zat toen hij tien jaar geleden het Amsterdam Tournament bezocht met zijn voetbalclub uit Katowice, tussen 1953 en 1956 nog Stalin-stad geheten.

Van al die jongetjes die met grote verhalen huiswaarts keerden, hebben vijf het profvoetbal gehaald, vertelt Milik. Twee spelen in de Poolse eredivisie, twee een niveau lager en de laatste is hijzelf, bij Ajax. Dus ja, hij heeft het al heel ver geschopt. Maar Milik wil meer. Hij wil ook over drie weken de gevierde man zijn, als Ajax het opneemt tegen titelconcurrent PSV.

    • Fabian van der Poll