Overheid gaat intern toch uit van 94.000 nieuwe asielzoekers in 2016

Overheden verwachten dit jaar 94.000 nieuwe asielzoekers. Rutte houdt het op 58.000. Gevolg: onrust en verwarring.

Zondag demonstreerden Syrische en Iraakse vluchtelingen tegen de sluiting van de Grieks- Macedonische grens door op de spoorrails te gaan liggen. FOTO AFP

Het gehannes met asielcijfers is veel meer dan alleen een poging om de publieke opinie te kalmeren, nu vluchtelingen uit vooral Syrië de veiligheid van Europa blijven opzoeken.

De verschillende prognoses en toelichtingen die kabinet en ambtenaren binnen de asielopvang hanteren, leiden bij die ambtenaren tot verwarring – en grote zorgen over wat er de komende maanden gebeurt als die onduidelijkheid aanhoudt.

De kwestie: hoewel premier Mark Rutte (VVD) en de verantwoordelijke staatssecretaris Klaas Dijkhoff (Veiligheid en Justitie, VVD) in het openbaar blijven melden dat zij dit jaar 58.000 asielzoekers in Nederland verwachten, werken betrokken overheden die de opvang moeten regelen met een scenario dat er 93.600 vluchtelingen komen – ook op het ministerie van Veiligheid en Justitie. Dat blijkt uit onderzoek van NRC en Reporter Radio (KRO-NCRV).

Toen Nieuwsuur in januari meldde dat het kabinet een ambtelijke prognose van 93.600 nieuwe asielzoekers negeerde, weersprak de premier die lezing. De hoge prognose hield geen rekening met nieuwe (inter)nationale plannen om de vluchtelingenstroom te verminderen. Om die reden, zei Rutte, hanteert het kabinet nu 58.000 vluchtelingen als „aantal waarop wij gaan zitten”.

Maar op datzelfde moment werd tijdens een ambtelijk topoverleg van de zogenaamde Landelijke Regietafel Verhoogde Asielinstroom, 600 meter verderop, gezegd dat alle overheden die betrokken zijn bij de opvang van vluchtelingen moeten uitgaan van een instroom van rond de 93.600.

Er werd een „grote discussie” gevoerd over de prognoses, zo blijkt uit notulen van het overleg. De hoogst verantwoordelijke ambtenaar van staatssecretaris Dijkhoff, de directeur-generaal Vreemdelingenzaken, benadrukte daar dat er in de afspraken met provincies en gemeenten voor opvang, het zogenaamde Bestuursakkoord, „wordt uitgegaan van 94.000”.

Diezelfde parallelle werkelijkheden waren drie weken daarvoor ook zichtbaar. Uit een „vertrouwelijk” intern document van januari blijkt dat het ministerie van Veiligheid en Justitie zijn planning van de benodigde asielopvang baseert op een instroom van 94.000. Toch schreef Dijkhoff twee dagen na de datering van het document dit aan de Kamer: „Verschillende organisaties binnen de vreemdelingenketen en de overheid bereiden zich ondertussen voor op een instroom van 58.000.” Het kabinet erkent wel steeds dat ambtenaren „ook met andere scenario’s” rekening houden, maar blijft daarna altijd terugkomen op ‘lage’ prognose.

Rutte en Dijkhoff houden zo het probleem klein. Daar zijn natuurlijk redenen voor: het controleren van de nogal onrustige en soms fysieke maatschappelijke discussie over asielopvang kan gebaat zijn bij het hanteren van de laagst mogelijke prognoses – waarom eventuele angsten verder aanwakkeren? En wie zich vastpint op een hoge inschatting veroorzaakt een groot financieel probleem op de toch al overbelaste begroting van het ministerie van Veiligheid en Justitie .

Wat de reden ook is: het klein houden van het probleem heeft wel consequenties. Uit interne stukken blijkt dat betrokken overheden vrezen nog voor de zomer overspoeld te raken. Hoewel de opvangcapaciteit het afgelopen jaar al flink is uitgebreid, dreigt eind dit jaar een tekort van zelfs 50.000 plekken. Met de druk van gemeenten om te kiezen voor kleinschalige opvang met minder dan 300 plekken, zou dit leiden tot een nieuw asielzoekerscentrum van die omvang in bijna elke gemeente.

Tegelijk zijn de ‘makkelijk’ beschikbare opvanglocaties, zoals evenementenhallen en kazernes bijna allemaal in gebruik. Nieuwe plekken zijn steeds lastiger te vinden, minder makkelijk om te bouwen tot opvang en daarmee duurder.

Naarmate de tijd verstrijkt, verergert die kostenstijging – bijvoorbeeld omdat betrokken leveranciers weten dat ze een betere onderhandelingspositie hebben.

En zelfs uitgaande van de lage prognose lopen provincies en gemeenten al achter: in dat geval hebben zij daar nog maar 10 procent van de nodige opvang gecreëerd, zo blijkt uit interne stukken. Zolang het kabinet aan de lage prognose vasthoudt, is het voor burgemeesters moeilijk urgentie en draagvlak te creëren om die achterstand in te lopen.

Staatsecretaris Dijkhoff verwees omfloerst naar al die problemen in het debat vorige maand, door te zeggen dat als zich inderdaad 94.000 vluchtelingen melden „ik niet op mijzelf zou wedden” dat het zou lukken om genoeg opvang te regelen.

Sommige betrokken ambtenaren zien het met verbazing aan. Zoekend naar een verklaring beginnen ze over een strijd tussen ambtelijke realiteit en politieke realiteit.

Zo wint de gewenste werkelijkheid van het Binnenhof het voorlopig nog van de verwachte werkelijkheid daarbuiten.