Nézet-Séguins ‘Achtste’ van Anton Bruckner mist bite

De serie ‘Core Classics’ van het Rotterdams Philharmonisch is er een die hoop geeft: een goed volle zaal voor de Achtste van Bruckner, veel 40-minners én een levendige intro met chef Nézet-Séguin („Ik wilde als kind paus worden, maar vrees dat ik dingen heb gedaan die dat in de weg staan”).

Nézet-Séguin maakte vijf jaar geleden indruk met een zelfverzekerde blik op de Achtste symfonie die deed uitzien naar de vruchten van zijn rijping in datzelfde werk nu.

Vooropgesteld: hij toonde (uit het hoofd) een subliem overzicht over de 80 minuten durende partituur en blies daar hoorbaar veel liefde in. Het Rotterdams Philharmonisch bewees zich met betrokken spel en sterke momenten in alle groepen. En toch was dit óók een teleurstellende Bruckner, die gedurende de eerste twee delen geen vervoering bood. Frases konden dieper ademen, fermates riepen om meer rust, het slagwerk om wat meer bite, de collectieve overgave om een fellere compromisloosheid.

Het orkest reageerde soms ook wat stug op Yannicks slag, die meer kathedrale bezieling suggereerde dan klonk. In het Adagio en de Finale werd het veel beter met het ademen van de frases, de totaalopbouw en de dichtheid aan ontroerende momenten. Maar voor een Bruckner van echt monumentale grandeur was het toen al te laat. Een haast verliefde gedachte aan Haitink („Hoe had dit bij hem geklonken?”), zaterdag te gast met Bruckner 9, was al drie keer de kop opgestoken.