Gewone mensen zijn het leukst

Franca Treur en Griet Op de Beeck hebben een voorliefde voor ‘gewone’ types. Waar Treur op twee pagina's vlijmscherp uitpakt, daar heeft Op de Beeck er twintig nodig om haar types te schetsen.

Er komt weer geen abnormaal mens in voor – in de verhalenbundel van Franca Treur niet, en in die van Griet Op de Beeck ook niet. Het gaat daar over mensen met weinig opzienbarende levens en de meest alledaagse sores. Mensen met een plan om de keuken te verbouwen en mensen met Tinderongemak. Mensen op een cruise en mensen op verjaardagsfeestjes. Mensen die je evengoed X of Y kunt noemen als Harry of Sophie, mensen die je gewoon met ‘gij’ aanspreekt (die van Op de Beeck dan).

Vaak kunnen zij toch een opzienbarend verhaal opleveren, tonen Treur (1979) en Op de Beeck (1973), die beiden nu hun derde boek, hun eerste verhalenbundel, publiceren. Ze delen hun voorkeur voor de levens van ‘gewone’, herkenbare mensen (zoals ze in romans ook al deden), voor verhalen over hoe gewone mensen met elkaar en de omstandigheden omgaan.

Bij Op de Beeck is er altijd iets ergs

Ze delen bovendien de opzet van hun bundels: het zijn meer dan verzamelbundels van los werk, het zijn bundels met een eenheid in vorm en overkoepelend idee. De verhalen zijn variaties op hetzelfde thema. In hoe dat uitpakte verschillen Treur en Op de Beeck enorm.

Dat zie je meteen aan de lengte. Waar Treur verhalen van slechts een bladzijde of twee schrijft, weidt Op de Beeck zo’n twintig pagina’s uit over haar personages. De verhalen in Gij nu zijn sterk geformatteerd: in vier, heel soms vijf, hoofdstukjes kruipt ze in de hoofden van haar personages, schrijvend in de derde persoon, maar met zoveel indirecte rede dat lezers directe toegang krijgen tot hun gevoelslevens.

En ze laat iets ergs gebeuren. Is het geen moord of doodslag, dan is het wel misbruik of een bijna-vliegramp. Op de Beeck kán haar personages krachtig neerzetten: ‘Elders aan de tafel lichtte er meteen een gebit op’, schrijft ze over een stel bejaarden op een cruise. En in dit ene zinnetje, over een hond, zit een hele jeugd gevat: ‘Hij hoopte dat mama niet vergat om hem eten te geven, want dat deed hij normaal.’ Maar dan komt het drama, het trauma, het Hele Erge – en dat oefent in het verhaal de kracht uit van een zwart gat, waar alle nuance naartoe gezogen wordt en uiteindelijk in verdwijnt.

Dan gaan Op de Beecks personages dingen zeggen als: ‘Ik heb geleerd dat ge daar niet in vast moet blijven zitten, dat het leven er niet is om te ondergaan, maar om in handen te nemen’. Die raad werd voorafgegaan door de zin: ‘Ik ken uw type’, en dat is precies wat er oninteressant is aan Gij nu: er worden psychologische types geschetst, geen mensen getroffen. Het is alsof de verhalen hobbels glad moeten strijken in de levens van de personages, en die van de lezers.

Dat is het grootste verschil met het door Olivia Ettema geïllustreerde X&Y van Franca Treur, waarvan een deel eerder in NRC Handelsblad verscheen. Zij ruimt geen sores op, zij laat haar personages iets ondernemen om te eindigen in slechts de suggestie van verandering of verbetering. Misschien is het een illusie, een wens, misschien niet.

De verhalen van Treur zijn waarachtig

Bovendien schrijft Treur scherper, vlijmscherp, in deze ultrakorte verhalen. In een enkele zin weet ze vaak haar personages en hun hele levens neer te zetten: ‘Lydia vindt het niet gezond dat Govert haar nog elke dag belt, een jaar nadat het uit is, maar ze is eraan gewend geraakt.’ Haar stijl is met name zo boeiend doordat ze de indirecte rede inzet voor dubbelzinnigheid: je weet niet precies wie je hoort, de verteller of het personage, hun gedachten of hun uitgesproken woorden. Zoals bij Jacob die een ‘schrijfbijbel’ krijgt: ‘Door het cadeau voelt Jacob zich begrepen op het niveau van zijn allerdiepste wensen.’

Het verhaal begint meestal op afstand, beschrijvend, maar een zin later ben je ongemerkt het hoofd van het personage in gekropen. Zoals dat van politieman Rik, in deze omineuze zin: ‘Het enige wat hij van zijn eigen vriendin verlangt is een stukje respect, maar dat blijkt keer op keer te veel gevraagd.’

Zo bereiken we, met Treur, de mensen in hun diepste gedachten – denken we, maar het is misschien eigenlijk grilliger. Die dubbelzinnigheid maakt haar mensen menselijk, haar verhalen waarachtig en interessant. De ironie in X&Y is niet zonder mededogen, dat is juist de kracht ervan: Treur beziet, accepteert en viert de oneffenheden en onzekerheden in mensen en hun relaties. Ze laat haar gewone mensen, hoe herkenbaar ook, toch allemaal anders zijn.