Gewelddadige kunst van vrouwen

Museum Arnhem toont honderd werken van 48 vrouwelijke kunstenaars. Heftig verontrustend.

Dawn Mellor, Mia Farrow, 2010. Olieverf op doek. Olbricht Collection.
Dawn Mellor, Mia Farrow, 2010. Olieverf op doek. Olbricht Collection. Foto Jana Ebert

Hoeveel kun je aan, voor welk doek durf je nog eens te gaan staan, waar denk je de volgende dag aan terug? En wie neem je mee naar deze tentoonstelling, waar bij de ingang wordt gewaarschuwd dat er expliciete beelden te zien zullen zijn. Liever geen kinderen. Je man, die wel?

Queensize heet de tentoonstelling die Museum Arnhem heeft samengesteld uit de collectie van de Duitse verzamelaar Thomas Olbricht: 100 werken van 48 bekende, vrouwelijke kunstenaars, van wie twee Nederlandse (Marlene Dumas en Rineke Dijkstra). Onderling zeer verschillend zijn ze, losjes gegroepeerd in drie delen: jeugd, dus onschuld en onbedorven zijn, volwassenheid, wie je wordt en wat er met je kan gebeuren, en het slotdeel: aftakeling en dood.

De tentoonstelling begint rustig, bijna etherisch, met een vrij lege zaal waarin je als eerste een wandvullend, mysterieus doek in pastelkleuren ziet van een meisjeshoofd – slierten blond haar, ronddwarrelende bloemen. Dan zie je dat die haarslierten vastzitten aan een doodshoofd dat half verscholen gaat achter de bloemen (Untitled, Monika Baer). In het midden van de zaal een sculptuur: een klein meisje in een rusthouding die je kent van yoga, ze lijkt wel echt, alleen erg bleek. Op haar gebogen rug een wallaby, een kleine witte kangoeroe. Ook hyperrealistisch, ook tegelijk levend en dood (Balasana, Patricia Piccinini).

Maar dan, de volgende zalen: veel voller, veel gewelddadiger. In de catalogus schrijft de Duitse samensteller Nicola Graef: „De werken vragen veel van de toeschouwer. Ze zijn helder, soms drastisch, soms tegelijk zelf-kritisch, maar nooit schuchter of terughoudend. Ze lijken te zeggen: kijk naar wat je voor je ziet, vertel me hoe het voelt.”

Hier hangt Marlene Dumas, tussen werken die die van haar bijna lieflijk doen lijken. Mia Farrow en Julia Roberts door Dawn Mellor, bekrast, bebloed, verminkt. Een verontrustend portret door Lynette Yiadom-Boakye van een zwarte, half ontklede vrouw die zit in wat lijkt op een luxueus wit-leren fauteuil. Ze kijkt, ja hoe kijkt ze eigenlijk naar je?

En dan moet het eigenlijke geweld nog komen. Twee werken over seksueel misbruik hangen tegenover elkaar. De één, Zahra/Fara van Taryn Simon, laat een 14-jarig, door Amerikaanse soldaten in Irak verkracht en verbrand meisje zien. Als het je lukt te kijken, tenminste. De ander, Found Guilty van Sükran Moral, lijkt nog het meest op een interpretatie van L’Origine du Monde van Gustave Courbet: een liggende, naakte vrouw van wie je een stukje buik en verder alleen tussen haar gespreide benen haar geslacht ziet. Maar in dit geval zie je ook nog bloedvlekken. En je ziet ook dat het geen menstruatiebloed is.

En zo door. De meeste vrouwelijke kunstenaars hier willen laten zien wat vrouwen zoal te wachten staat als ze eenmaal volwassen zijn. Dat zeggen ze ook in interviews achterin de catalogus. De Amerikaanse Marilyn Minter: „Het is mijn taak om licht te laten schijnen op de tijden waarin wij leven.” De Turkse Sükran Moral: „Geweld tegen kinderen en vrouwen.”

Is er dan niks moois of vrolijk makends meer als je de eerste zaal, de jaren van je jeugd achter je hebt gelaten? Jawel, er zijn ook de prachtig bleke, voluptueuze naakten van Bettina Rheims, die over haar eigen werk zegt: „Ik hou van het vlees, ik ben een fotografe van de huid.” En Tina Barney fotografeert hooguit ironisch haar Amerikaanse vrienden en familie, allemaal van goede komaf, in hun slaapkamer of als bruidsmeisje.

Zo kun je dus even op adem komen, weer door of juist nog even terug. En dat is wel nodig bij deze in meerdere opzichten overvolle tentoonstelling, waar de zalen van het museum soms bijna te klein voor lijken. Net als je hoofd, dat ook de volgende dag nog vol onrustbarende beelden zit.