Dichten met kinderlijk plezier

Er bestaan allesdieren, althans volgens dichter Erik Menkveld. De onbevangenheid spat er vanaf in deze verzamelbundel.

In een van zijn gedichten laat Erik Menkveld een merkwaardig dier aan het woord. Het is een dier met uiers, maar het is geen koe. Als het zich in de lucht bevindt, draagt het ineens veren. En in de modder ‘groeit mij een wroetschijf aan de snuit’. Dat wijst dan weer op een varkenachtig voorkomen, maar een varken is het ook niet.

Het dier heeft nog meer wonderlijke eigenschappen en het vertelt er graag over. Over hoe het bijvoorbeeld ‘gehuld in de grijsbruine vlieghuid / die tussen mijn ledematen spant’ ondersteboven in schuren hangt te slapen. Vleermuis, denken wij dan meteen. Over hoe het op een savanne zijn ‘omzichtige lippen’ strekt naar hoge blaadjes. Giraf! En dan heeft het ook nog tal van mogelijkheden waar het, naar eigen zeggen, nooit meer mee voor de dag komt: ‘piek op het voorhoofd, verzengende / adem, een paardenlijf met mensenromp’. Eenhoorn, vuurspuwende draak, centaur!

Wat is dit voor dier? Hier is een allesdier aan het woord. Ik wist niet dat het bestond, maar nu Menkveld hem aan het woord heeft gelaten wél. Hij lijdt onder het feit dat men hem alleen maar in onderdelen ziet, afhankelijk van waar hij is. In het oerbos horen we hem burlen en zien we hem langs een stam schurken met zijn schoffelgewei, maar zijn slurf, zijn rugvin en zijn stekels zien we dan niet.

Het valt niet mee om allesdier te zijn, dat is wel duidelijk. ‘Elk dier dat men ziet is een fractie van mij.’ En daar gaat het allesdier hevig onder gebukt. Hij heeft één groot verlangen: ‘Wat zou ik mij graag eens in volle glorie voordoen.’ Maar dat verlangen zal wel altijd onvervuld moeten blijven, want nergens ter wereld is een biotoop te vinden die daarbij past.

Gek, geestig en best filosofisch

Ik vind Allesdier een geweldig gedicht. Of, dat kan ik ook zeggen: een geweldige gedachte. Stel je eens voor dat je een dier had dat alle dieren in zich verenigde. Of dat elk dier dat wij zien eigenlijk deel uitmaakt van een veel groter allesdier. Het is gek en geestig, maar als je er wat beschouwelijker naar kijkt ben je hier toch al dicht bij een levensfilosofie, of een wereldbeeld, of een religieuze opvatting. Misschien kunnen wij niet alles zien. Misschien zien en zijn wij maar delen van een veel groter geheel.

Je zou dit gedachtepoëzie kunnen noemen. Of ideepoëzie. De term is van toepassing op veel van de gedichten van Erik Menkveld. Hij schreef drie bundels; De karpersimulator (1999), Schapen nu! (2001) en Prime time (2005). En ook nog vijftig nooit eerder gebundelde gedichten. En vertalingen van 22 gedichten van Hendrik Rost en Louise Glück. Die zijn nu allemaal samen opgenomen in deze Verzamelde gedichten.

‘Gedachtepoëzie’ kan verstandelijk klinken, maar zo is de poëzie van Menkveld helemaal niet. Er spreekt vaak een onbevangen plezier uit, en een kinderlijke manier van kijken naar de wereld. Het gedicht over het allesdier is er zelf al een voorbeeld van. De opzet is al bijna die van een sprookje: er was eens een dier dat alle dieren van de wereld was. Of van een raadselrijm: Menkveld noemt eigenschappen zonder de naam van het dier erbij te noemen, met als gevolg dat wij vanzelf ‘giraf!’ gaan roepen als we ‘hoge blaadjes’ en ‘omzichtige lippen’ zien staan – als een kind dat bij het zien van een plaatje van een schaap meteen ‘bèèh’ gaat roepen.

Bij Menkveld gaat het ook nog eens om een groot, en ook kinderlijk plezier in taal. Hij hield heel erg van rare woorden, vaktermen, vreemd idioom. En hij hield ervan om de dingen op een bijzondere manier te zeggen. Het plezier van het schrijven van ‘Allesdier’ moet voor Menkveld ook gelegen hebben in het gebruiken van ongebruikelijke woorden als ‘wroetschijf’, ‘vlieghuid’, ‘hoefgang’, ‘rugvin’ en ‘schoffelgewei’.

De verrassende invalshoek is wel een van de opvallendste kenmerken van de poëzie van Menkveld. In ‘Koor van ongehoorde waaibomen’ mogen ex-bomen vertellen over hun huidige leven als raamkozijn, vloerplank of tafelpoot – en klagen over het gebrek aan aandacht. In ‘De ware kilo’ komt de platina-iridium staaf aan het woord die al jarenlang in Parijs de internationaal erkende standaardkilo ligt te zijn, maar nu tot zijn droefenis moet vaststellen dat ze met een andere standaard willen komen. Iets met ‘atomen tellen’ en ‘stroom door goudionen jagen’. Hij kan er alleen maar schamper zijn schouders over ophalen. In een ander gedicht boog Menkveld zich over de vraag wie het zieligste dier van allemaal is. Of hij verbeeldt zich hoe het is om een zandstrand te zijn. Hij geeft een portret van een blinkend schoon en transparant eiland waar helemaal niets te verbergen valt. Enzovoort.

Is het wel echt poëzie?

Is het eigenlijk wel poëzie? Ik zou zeggen van wel, alleen al vanwege de stilistische finesse, de doordachte compositie, de sterke beelden en de verrassende woordkeus. Maar soms gaat het met die rare invalshoeken ook weleens de kant op van een absurde scène uit een cabaret, een idiote sketch of een goede grap. Menkveld schreef geen echte lyriek. Hij dichtte zelden rechtstreeks over zichzelf of over zijn gevoelens, maar bij voorkeur via de omweg van een vereenzelviging met, of een portret of monoloog van een dier of ding, een muziekstuk, een beeld of een schilderij.

Al die gedichten staan een beetje op zichzelf, maar bij elkaar vormen ze een portret van een wonderlijke ziel, met veel aandacht en sympathie voor wat meestal buiten zicht blijft. Soms bespeur ik een vlucht voor de alledaagse werkelijkheid; die heet ergens ‘te vluchtig, te sluw, te gemeen’. Soms moet er wel erg veel intellectuele ironie aan te pas komen om de gevoelens op afstand te houden – op de wijze van dichters als Sontrop, Emmens en Wilfred Smit.

Soms moest ik aan de denkwereld van de symbolisten denken, soms aan oosterse filosofie, soms aan de metamorfosen van Ovidius. Of aan een absoluut vrije verbeeldingswereld waarin van alles mogelijk is, zoals in de poëzie van Tonnus Oosterhoff of Martin Reints.

Veel ontwikkeling zit er niet in dit oeuvre. Menkveld was meteen al goed, bij zijn eerste tijdschriftpublicatie in 1982, en in zijn eerste bundel in 1999. In zijn drie bundels staan geen zwakke gedichten.

Ik ben iets minder enthousiast over wat er in deze uitgave nog aan toegevoegd is. Zijn gelegenheidsgedichten, zijn teksten bij muziek van Schumann en zijn vertalingen zijn duidelijk minder scherp en minder geïnspireerd. Ik begrijp wel dat ze in een uitgave als deze thuishoren, maar ze halen het hoge gemiddelde van de drie bundels omlaag.

    • Guus Middag