Zo bouwen we ons mobiele walhalla

In 2020 moet Europa een 5G-netwerk hebben. Wie gaat dat betalen? In Barcelona zoeken mobiele aanbieders en de techsector naar een nieuwe machtsbalans.

Afgelopen week was in Barcelona het Mobile World Congress, de belangrijkste Europese telecombeurs.

Als er één mobiele toepassing is die de wereld echt vooruit helpt, dan is het de transporter uit de science fictionserie Star Trek. Een app die je – woesjjj – van de ene plek naar de andere teleporteert. Dat zou goed van pas komen in Barcelona waar de metro staakt tijdens het Mobile World Congress. Honderdduizend congresbezoekers wurmen zich in vrijwel stilstaande taxi’s naar de Fira Gran Via, waar de telecomindustrie zich afgelopen week verzamelde.

Ooit was dit een ontmoetingsplek van telefoon- en netwerkfabrikanten en mobiele aanbieders. Nu bemoeit iedereen zich ermee: technologiereuzen als Amazon, Facebook, Google en IBM, creditcardmaatschappijen en betaaldiensten, autofabrikanten, chipmakers, nieuwe app-ontwikkelaars en overheden die radiofrequenties verkopen.

Logisch dat ze naar Barcelona komen. Want Alles is mobiel. De Toekomst is mobiel. Innovatie is mobiel - je struikelt op het congres over zulke slogans. Het komt hier op neer: communicatie tussen machines wordt belangrijker dan communicatie tussen mensen – datgene waar we ons telefoonnetwerk de afgelopen 140 jaar voor gebruikten.

Er zijn betere netwerken nodig om dat in goede banen te leiden. Supersnelle verbindingen, zonder vertraging, capaciteit voor ontelbaar objecten die draadloos met elkaar verbonden worden. Onze toekomst kan fantastisch worden en daarvan willen een hoop bedrijven profiteren. Maar er is wel kapitaal voor nodig om deze vijfde generatie netwerken (5G – we zijn nu net bij 4G) aan te leggen. Geld dat in de infrastructuur gestoken wordt moet ook weer terugverdiend worden met diensten die wij – consumenten en bedrijven – willen gebruiken en waarvoor we willen betalen. Het Mobile World Congress gaat dus niet alleen over glimmende smartphones en nieuwe apps. De vraag is: wie betaalt welke rekening voor ons mobiele walhalla?

1 Een netwerk voor machines en sensoren. Hoe dan?

Door zoveel mogelijk objecten in de ongeordende analoge wereld te verbinden met internet – de schattingen lopen op tot 100 miljard apparaten in 2025 – kunnen we de wereld met brute rekenkracht efficiënter regelen. Zodat we zuiniger omgaan met onszelf, onze leefruimte, grondstoffen en energie. Slimme steden, fabrieken, huizen, winkels, auto’s en wegen. Robots knappen het saaie en gevaarlijke werk op, drones doen de boodschappen.

In dit mobiele walhalla weten we ons overal omringd door sensoren. Ze creëren een warme deken van data die ons beschermt tegen gevaar, criminaliteit en ander onheil. De huidige netwerken zijn niet snel genoeg om op afstand ‘live’ een operatie uit te voeren of duizenden auto’s veilig met elkaar te laten communiceren – onder alle omstandigheden. Een voorwaarde voor 5G is dus: snelheden van 2 tot 10 gigabit. Minder dan 1 milliseconde vertraging (een datapakketje doet er op 4G nog vaak 30-40 milliseconden over). Ook belangrijk: meer datacapaciteit per vierkante meter via een fijnmazig netwerk van small cells. De zendmasten moeten hogere frequenties ondersteunen en toch veel minder energie verbruiken.

Om de juiste diensten prioriteit te geven moet rekenkracht verspreid worden over het hele netwerk. De intelligentie verschuift van centrale datacentra ‘naar de rand’. Dat geeft telecombedrijven in theorie ook meer controle over welke diensten voorrang krijgen.

2 Wie gaat 5G ontwikkelen en bouwen?

Er wordt volop geëxperimenteerd met 5G, maar een duidelijke standaard is er nog niet. De commerciële beschikbaarheid wordt niet voor 2020 verwacht en dan ook nog op beperkte schaal. De regio die als eerste 5G gaat aanleggen heeft een voordeel in de ‘gigabit-economie’. Europees Commissaris Oettinger wil graag dat Europa in 2020 met 5G begint. Dat kan hij willen, maar de providermarkt is hier erg gefragmenteerd. Europa telt honderden mobiele netwerken. In de VS en China zijn veel grotere telecomaanbieders – die hebben meer slagkracht voor nieuwe investeringen. De netwerkbouwers fuseren al: Nokia neemt Alcatal over en Ericsson werkt nauw samen met Cisco. Zo hopen ze het Chinese Huawei te weren.

Europa moet zorgen voor gelijke regels in alle landen, vinden de netwerkproviders. Bijvoorbeeld voor privacy, of frequentieveilingen. Pas dan heeft het zin om grotere providers te vormen – denk aan de koppeling van Vodafone en Liberty Global, maar ook een blok als Deutsche Telekom met KPN, Orange en Belgacom.

Aan de andere kant: de overgang naar 5G zal niet zo abrupt zijn. De huidige 4G-netwerken zijn ook nog ingrijpend te verbeteren. Wel moet Europa wetten gelijk trekken voor de uiteindelijke diensten die op het 5G-netwerk zullen draaien. Praktisch voorbeeld: zelfrijdende auto’s die aan de grens moeten overschakelen van de regels van het ene naar het andere land. Helemaal niet handig om die zaken op nationaal niveau te regelen.

3 Facebook en Google bouwen eigen netwerken

Techbedrijven houden zich actief bezig met de infrastructuur. Google levert snel internet via glasvezel in Amerika en bouwde een eigen mobiel netwerk over bestaande netten. Facebook kondigt een ‘open platform’ voor 5G aan. Het is een voorstel tot samenwerking dat door de providers beleefd ter kennisgeving werd aangenomen. Facebook probeert ook de ‘witte plekken’ op de internetkaart in te vullen met gratis mobiel internet in afgelegen gebieden en ontwikkelingslanden. Het plan voor Facebooks vliegende internetbrigade (drones die een zwevend netwerk op 20 kilometer hoogte vormen) staat nog in de kinderschoenen, maar genereert wel veel publiciteit.

Mark Zuckerberg moest een tegenvaller incasseren in India: hij wilde gratis internet aanbieden via goededoelenvehikel Internet.org, maar werd teruggefloten omdat hij Facebooks eigen diensten te veel zou bevoordelen. In andere landen kreeg Internet.org wel toestemming om gratis internet aan te bieden, samen met lokale providers. Wil Facebook zelf daadwerkelijk netwerken bouwen? Nee. Maar het wil wel zijn eigen sociale netwerken uitbreiden en meer invloed uitoefenen op de technologie die providers gebruiken. Dat komt de doorgifte van eigen Facebook-apps uiteindelijk ten goede.

4 Telecomaanbieders gaan advertenties weren

De beheerders van de infrastructuur bemoeien zich met de inhoud. Het begon met een provider in Jamaica en nu hebben ook Europese telecompartijen serieuze plannen om advertentiefilters te installeren op hun netwerken. Three (actief in onder meer het Verenigd Koninkijk en Italië) gebruikt Israëlische technologie om klanten de mogelijkheid te geven ‘hinderlijke’ advertenties te blokkeren die ongevraagd je databundel opsouperen. Vergelijk het maar met een advertentiefilter in de webbrowser.

Ook Vodafone heeft wel oren naar zo’n filter. Het klinkt als een aantrekkelijke service, maar telecomaanbieders worden wel geacht om alle data neutraal door te geven. Zo’n filter zou de netneutraliteit in gevaar kunnen brengen. Voor telecomsector is het een manier om weer een beetje grip te krijgen op gratis, met advertenties gefinancierde, internetdiensten. Oftewel Youtube, Google en Facebook. Dat zijn, niet toevallig, de partijen die de inkomsten uit sms- en telefoonverkeer ondermijnen. Advertentiefilters brengen ook gratis nieuwssites in de problemen.

Nog een manier waarop telecomaanbieders zich met de inhoud bemoeien: ze storten zich op de televisiemarkt. Vodafone gaat in Spanje voetbalwedstrijden uitzenden en KPN en Ziggo creëren hun eigen tv-kanalen. In de VS kocht AT&T satellietaanbieder DirecTV. Zo proberen ze zich te weren tegen de meest succesvolle videotoepassing van dit moment, Netflix. Die is nu wereldwijd beschikbaar en trekt een zwaar spoor op de bandbreedte – ook op mobiele netwerken.

5 Wie wil er nog een nieuwe telefoon?

De smartphonefabrikanten zien hun winsten verdampen door zware concurrentie uit China. De onderlinge verschillen tussen telefoons zijn te verwaarlozen. Om de omzet hoog te houden proberen ze andere gadgets rondom de mobiele telefoon te verkopen, met de smartphone als spil van de digitale wereld. Zowel Samsung, HTC als LG storten zich op virtual reality: stereoscopische computerbrillen laten je in een andere wereld ‘zijn’.

De virtual reality-hype wordt aangewakkerd door Facebook, dat het als de nieuwe manier van sociaal netwerken beschouwt. En meteen een manier om meer video (en videoadvertenties) te vertonen.

Zitten we straks allemaal in de trein met een grote computerbril voor onze ogen? Los van de sociale frictie is er ook een technische drempel. Over een mobiel netwerk is de vertragingstijd een heikel punt bij virtual reality. Je krijgt als kijker/drager snel last van misselijkheid als de snelheid van het beeld niet correspondeert met de bewegingen van je hoofd. Wil virtual reality meer zijn dan het beste verjaardagscadeau voor een verwende gamer, dan moeten de netwerken hun infrastructuur ruim baan geven voor Facebooks virtual reality-apps.

6 Wie haalt de apps uit hun isolement?

Het internet of things wordt vaak voorgesteld als één verbonden wereld waarin alles met alles samenwerkt. Dat lukt nu al niet; kijk maar naar de versplinterde wereld van de apps. De meeste programma’s op je telefoon bieden geïsoleerde ervaringen, waarbij je telkens opnieuw je informatie moet invoeren. Vermoeiend. Al zijn er miljoenen apps te downloaden, de meesten worden daarom maar twee of drie keer gebruikt.

Voor echt waardevolle ervaringen wordt er gewerkt aan meta-apps: denk aan digitale assistenten als Google Now, Siri van Apple, de Amazon Echo , Microsoft Cortana en Facebook M, die je beter en completer willen leren kennen. Ook in opmars: chatnetwerken die vrijwel alle diensten integreren, zodat je de app nooit hoeft te verlaten.

Het grote voorbeeld is het Chinese WeChat, waarin je zowel mobiel kunt bankieren, hotels kunt boeken of op zoek kunt gaan naar een date. Facebook wil van Facebook Messenger graag zo’n Zwitsers zakmes voor online diensten maken.

7 Wie beveiligt het internet of things?

Een van de thema’s waaraan op het Mobile World Confress niet te ontsnappen is: veiligheid. Met name de hoog opgelopen zaak van Apple versus de FBI, over het ontgrendelen van een in beslag genomen iPhone, wordt vaak als voorbeeld aangehaald. Als een technologiebedrijf gedwongen kan worden om een ‘achterdeurtje’ te bouwen voor een telefoon, hoe gaat dat dan als (bijna) alle apparaten met internet verbonden zijn? De Apple-zaak kan de toon zetten voor overheden die in de toekomst toegang willen tot andere onderdelen van de digitale samenleving. Ook de allersnelste infrastructuur wankelt als een stevig juridisch fundament hiervoor ontbreekt.

    • Marc Hijink