Worstkarren, fietsmotortjes en sneeuweters

Een Canadese soldaat viel in 1964 flauw bij de afscheidsceremonie na bezoek van de Britse koningin Elizabeth. Foto Corbis

We gaan terug naar eerdere afleveringen. Eind januari ging het over het groeiend aantal worstkarren in Amsterdam. De middenstandsvereniging ‘I Amsterdam’ propt de horden toeristen die zij naar de stad lokt graag van kop tot kont vol etenswaar. Er komt geen eind aan de zaken en zaakjes waar die waar wordt aangeboden. Inmiddels staan er drie worstkarren op de Dam en binnenkort zijn het er vier of vijf.

Als er zes worstkarren komen, en als de Dam precies een vierkant was, hoe zouden die karren dan moeten staan om de worstverkopers zo ver mogelijk uit elkaar te houden? Daarover ging het op 30 januari. Er werden verschillende oplossingen gepresenteerd en de eerste oplossing was de beste, stond hier. De afstand tussen de karren was er minimaal 60 procent van de lengte van de vierkantszijde. Dat het echt de beste oplossing was viel niet te bewijzen. Toen was daar de brief van wiskundeleraar M. Masselink die ook dacht dat de eerste de beste was maar er, met computersteun, een goede tweede aan toe voegde. Daarbij is de minimale karafstand 59,8 procent van de zijdelengte. Zie hier rechtsonder.

Het is nergens voor nodig is om de worstverkopers ver uit elkaar te zetten, schreven sommige lezers. Hun klandizie zou niet afnemen als je ze op een kluitje schoof. Tsja, dat is een beetje het probleem van dit soort aangeklede sommen: ze doen de werkelijkheid geweld aan.

Ook uit de AW (6/2) over het motortje dat laatst in een fiets van een Belgisch wielrenster was ontdekt, sprak onvoldoende zicht op de werkelijkheid. Een berekening had aangetoond dat de elektromotor die verstopt in de zitbuis de trapperas aandreef, zijn vermogen van 200 watt nooit langer dan 15 minuten kon leveren. Wàt een risico voor 15 minuten vermogensondersteuning, is hier gezegd.

Die verzuchting is genuanceerd door lezer P. Eggermont. De wielrendiscipline waaraan de Belgische wielrenster deelnam was de zogenoemde ‘cyclo-cross’, schrijft hij. Daarbij worden rondjes in een circuit vol steile, maar korte hellingen gereden. Meestal duren die wedstrijden maar 50 tot 55 minuten. Zelfs voor het nemen van de langste helling is nog geen minuut nodig. Je kunt dus aannemen dat alle hellingen met elektrische ondersteuning te nemen zijn. In de cyclo-cross helpt zo’n motortje echt. Bij wegwedstrijden, die 4 tot 8 uur duren, heb je er weinig aan. Sterker nog, suggereert een andere lezer, als de wedstrijden lang duren is de kans groot dat die 15 minuten vermogensondersteuning volledig teniet worden gedaan door het ‘dood gewicht’ van motor en batterijen. Ja toch? Het antwoord is: dat hangt af van het profiel van het parcours. Als het uitsluitend bergafwaarts zou gaan kan het dood gewicht weleens in het voordeel van de renner werken. Gaat de weg evenveel omhoog als omlaag dan is dood gewicht altijd een nadeel, want de hulp naar beneden compenseert nooit voor de hinder naar boven. (Denk aan het limietgeval: er is dood gewicht voorstelbaar waarmee men een helling helemaal niet meer op komt.)

Dat het totaal gewicht van werkende motor plus batterijen, zeg: twee kilo, de 200 watt steun die ze geven zou kunnen tenietdoen is niet waarschijnlijk. Een rekenvoorbeeld laat dat zien. Denk aan een steile helling van 25 procent die in een tempo van 1,5 meter per seconde (wandeltempo) wordt opgereden. De helling heeft een hellingshoek van 14 graden, per seconde stijgen fietser en fiets 0,36 meter. Wegen ze samen 80 kilo dan is alleen al voor het stijgen een vermogen nodig van 282 watt. Het motorvermogen van 200 watt neemt daar veel van weg. Het gewicht van motor plus batterijen voegt er maar 7 watt aan toe.

Op 13 februari ging het over Henry Worsley die, 55 jaar oud, in zijn eentje en zonder ondersteuning Antarctica wilde oversteken: op ski’s en een slee met voedsel en uitrusting achter zich aan trekkend. Manhauling. Hij heeft het niet gehaald, hij raakte zó uitgeput, uitgehongerd en uitgedroogd dat hij kort na zijn noodevacuatie overleed. Zie: shackletonsolo.org. Het is een mysterie waarom Worsley zo weinig voedsel meenam. Hij moest wel verhongeren. Maar wat hier gezegd is over sneeuw eten klopt niet helemaal. Sommige poolreizigers hebben wel degelijk geregeld sneeuw gegeten. Uitgerekend Robert Swan, die in 1985-86 met twee anderen naar de zuidpool manhaulde en die veel contact had met Worsley, was een echte snow-eater. Swan had een permanente angst voor dehydratie,

Nog even terug naar het risico van het grachtplassen dat vorige week ter sprake kwam. Het is gebleken dat sommige mannen onder het plassen pardoes flauwvallen en aan de wallekant is dat natuurlijk gevaarlijk. Als mogelijke verklaring voor de bezwijming is hier de Salvalva-manoeuvre opgevoerd, die gaat gepaard met persen en de adem vasthouden. „Salvalva had Valsalva moeten zijn”, schreef een lezer, „Salvalva bestaat niet.” En inderdaad, Google bevestigt het. Wij van AW lijden aan een milde vorm van dyxlesie en liepen al eerder vast bij de Galogapos-eilanden. Het bijgaande plaatje laat zien hoe verschrikkelijk mannen kunnen flauwvallen. Er zijn ook plaatjes van bezwijmde vrouwen maar die liggen meestal achterover. Waarom, dat wordt nog onderzocht.

    • Karel Knip