Varkenskop: een aloud dreigement

Zaterdag wordt hij massaal gedragen bij de Pegida-demonstratie in Amsterdam: de roze varkensmuts. Hoe werd het varken het symbool van de antimigrantenbeweging? Een reconstructie.

Pegida-voorman Edwin Wagensveld. Foto Bas Czerwinski

In Lunteren kennen varkensboeren het telefoonnummer van de kadaverophaaldienst uit hun hoofd. Dode beesten gaan meteen onder de groene kadaverkappen, die je in deze regio overal langs de openbare weg vindt – de kliko’s van het platteland. En dan snel bellen. Door gasvorming zetten de varkens uit als een gek. Bloed uit de bek, vocht uit de anus. De geur dringt door de kap heen. Weg met die beesten. Binnen een dag worden ze verwijderd. Tenzij iemand de ophaaldienst voor is.

In de nacht van zaterdag op zondag 21 februari worden op de Goudsberg in Lunteren twee dode varkens ontdekt. De scouting deed die nacht een dropping in het bos. Eén van de honderdvijftig deelnemers, allemaal ouder dan achttien, meldde de vondst bij de politie. Onbekenden in een ‘wit busje’ hebben de dieren opgehangen aan een hek. Een dorpsbewoner filmde de volgende ochtend hoe de varkens met een grijpwagen worden afgevoerd, de touwen nog om hun nek. „Wat een stank zeg.”

Deze plek is bewust gekozen. Het is pal tegenover het recreatiepark dat de gemeente heeft aangewezen als mogelijke locatie voor een asielzoekerscentrum. Het is een toeristisch gebied, honderd meter verderop ligt een zwerfkei die ‘het middelpunt van Nederland’ markeert.

Het varken is de afgelopen maanden uitgegroeid tot opmerkelijk symbool van het verzet tegen asielzoekers. In november werden er veertien varkenskoppen neergelegd in Enschede, op en rond de plek waar begin jaren negentig een steenmeteoriet in sloeg, en vlakbij een azc in aanbouw. Vorige maand hing in het Brabantse Heesch een varken in een boom. De foto daarvan, gemaakt in de ochtendschemering, werd iconisch voor het verzet in het dorp dat met carnaval Krullendonk heet, een verwijzing naar de varkensstaart. In alle gevallen werd de politie ingeschakeld, maar de daders zijn nooit gevonden.

De eerste varkensmuts

Zaterdag 20 februari, een dag voor de vondst. Na afloop van hun protestbijeenkomst tegen azc’s in de gemeente Ede, waar ook Lunteren onder valt, vieren Pegida en Demonstranten Tegen Gemeente (DTG) de verrassende afloop met een etentje in Ede. Ze hebben die middag met een man of vijftig op het Raadhuisplein in Ede gestaan. Nederlandse vlaggen, zwarte truien. En een onbekende vrouw met een varkensmuts. De politie vond dat provocerend, en verzocht haar om de muts af te zetten. Dus zei Pegida-voorman Edwin Wagensveld: „Kom hier met dat ding”. Hij wilde laten zien dat Pegida zich niet laat inperken. Dit soort uitingen moet gewoon kunnen, vindt Wagensveld. „Anders staan we straks in onze onderbroek omdat niets meer mag.”

Kort daarna werd hij omringd door acht agenten het plein afgevoerd. Wagensveld hield zijn muts op en bleef demonstratief lachen. Hij wist meteen: dit slaat nergens op én dit is een heel krachtig beeld. Een uur later was Wagensveld vrij en had Pegida een nieuwe mascotte: het varken.

Zijn arrestatie bleek onterecht. „Hoe het gelopen is, is voor onze beweging fantastisch. We hebben door het hele land media-aandacht gekregen.” Voor de demonstratie van dit weekend, zaterdag in Amsterdam, heeft hij actievoerders opgeroepen om een varkensmuts te dragen – 8,95 euro bij de meeste carnavalswinkels.

Maar dode varkens zou Wagensveld naar eigen zeggen nóóit gebruiken als protestmiddel. Dat is volgens hem „afschuwelijk misbruik van dieren”. Dat de kadavers opdoken rond dezelfde tijd dat Pegida en DTG tegen het azc demonstreerden, is volgens Wagensveld een ongelukkig toeval. Raphael Marchese van DTG weet niet wie de varkens in Lunteren heeft neergelegd. Maar hij vindt het geen dierenmisbruik. „Ze waren toch dood?” In Enschede werd DTG even verdacht van het neerleggen van de varkenshoofden. „De politie kon niets hardmaken.” Hij ondersteunt de actie wel. „Het is een vorm van protest.”

De witte dorpen rond Ede

Een dood varken vinden is in Lunteren geen kunst. Een boer tilt zijn kadaverkap op. Nu ligt er even niets. Maar uitval is er wekelijks: door longontsteking, een virus. Die dieren zijn niet meer geschikt voor de slacht. Vroeger lagen de kadavers zonder afdekking aan de openbare weg. „Huis aan huis”, zegt de boer. Wijzend vanaf zijn erf: „Dáár zat een varkensboer, dáár zat een varkensboer. Allemaal weg.”

Schaalvergroting leidde tot krimp. Toch heeft Ede nog altijd de meeste varkensbedrijven van Nederland. In deze stal staan er honderden. Nee, de boer wil, zoals de meeste dorpelingen, niet met naam in de krant. „Iedereen kent hier elkaar, hè.” Intussen kijkt de overbuurvrouw vanachter een raam met kanten gordijntjes toe.

Wie die zaterdagnacht de varkens op de Goudsberg heeft neergelegd? De boer haalt zijn schouders op. „Die refo’s misschien? Die zijn xenofoob.”

Lunteren is een gereformeerd kerkdorp in glooiend boerenland. Op zondag de auto wassen is not done. In een referendum vorig jaar over invoering van koopzondag was 86 procent tegen. Hier voegen zelfs jongeren zich op zondag bij de mensenstromen richting kerk.

Lunteren is een van de zeven ‘buitendorpen’ van Ede. Naast Bennekom, De Klomp, Harskamp, Wekerom, Ederveen, Otterlo. Vrijwel allemaal zijn ze ‘witter’, welvarender en geloviger dan Ede-Stad. In de buitendorpen zijn mensen tevreden over leefbaarheid, saamhorigheid en de afwezigheid van criminaliteit.

Toch maakt de gemeente Ede zich zorgen over haar buitendorpen. Om hun geslotenheid, hun monocultuur. Die kan een voedingsbodem zijn voor xenofobie en islamofobie, schreven onderzoekers van adviesbureau IVA op basis van tientallen gesprekken met inwoners en professionals in Ede. Ze deden in opdracht van de gemeente in 2009 onderzoek naar polarisatie en zagen in de buitendorpen angst voor alles wat ‘anders’ is.

Een respondent, over migranten: „Ik kom er niet zoveel mee in aanraking. Je hebt ze hier amper. Laatst zag ik een hele donkere, dan is het van: Hé, moet je dat zien. Dat zie je hier nooit.”

In hetzelfde onderzoek constateert een politieagent een ‘latent discriminatoire onderstroom in het buitengebied’. Volgens hem moeten ‘negroïde mensen’ die het buitengebied bezoeken, er rekening mee houden dat ze ‘last’ krijgen.

Van alle buitendorpen heeft Lunteren, met 12.705 inwoners de grootste, het sterkste gevoel van onafhankelijkheid. Op het gemeentebord is na afslag ‘Lunteren’ op de A30 het onderschrift ‘gemeente Ede’ afgeplakt. Maar het onderscheid tussen Luntenaren binnen en buiten de bebouwde kom is groot, schrijven de onderzoekers. De jongens van ‘binnen’ gaan in het weekend stappen op het Museumplein in Ede-stad. De ‘boerenjongens’ van buiten zouden er vooral komen om te knokken met buitenlanders. Ze hebben hun eigen drankschuren.

De kloof in het dorp is zichtbaar in de Lunterse Krant. In een paginagrote advertentie hadden anonieme dorpsgenoten vorige maand tien redenen opgesteld om af te zien van een azc. Zo zou de scoutingvereniging met „veelal jongere kinderen die vrij rondlopen in het bos” tegen zijn. Net als het zwembad, dat zich zal „moeten wapenen tegen ongewenste situaties”. De scouting en het zwembad reageerden in de krant: hen was niets gevraagd. Ze willen buiten de discussie blijven. In een andere advertentie schreven dorpsbewoners júíst open te staan voor de opvang van vluchtelingen in Lunteren.

Een oud gebruik

Komt de verantwoordelijke voor het ‘varkensprotest’ uit het dorp? Destructiebedrijf Rendac, dat in heel Nederland dode dieren ophaalt met vrachtwagens die hermetisch afgesloten kunnen worden, registreert ook ‘vermiste’ kadavers. Als een aangemeld varken ineens niet meer onder de kap blijkt te liggen, zijn zij op de hoogte. Maar of er vorige week in Lunteren vermiste kadavers zijn geregistreerd, wil transportmanager Bas Stuifbergen niet zeggen. Die informatie wordt alleen vrijgegeven voor „justitieel onderzoek”.

De boer uit Lunteren kijkt bedenkelijk naar zijn kadaverkap. „Als ze die varkens vanonder zo’n kap hebben gehaald moeten ze de oormerken eraf halen, anders ontdek je zo waar ze vandaan komen. Ik zou het niet doen.” Hij knijpt zijn neus dicht. „Het stinkt, niet te beschrijven.”

Maar stank heeft de dader niet tegengehouden. Het neerleggen van een dood varken is een beproefd intimidatiemiddel, zegt Gerard Rooijakkers, oud-hoogleraar Nederlandse etnologie. „Rituele taal” noemt hij het, afkomstig uit het eeuwenoude plattelandsrepertoire. Je markeert ermee dat iets of iemand sociaal dood is. Het is een waarschuwing: tot hier en niet verder. „Al zouden ze vroeger nooit een heel varken hebben neergelegd. Zonde. Alleen het slachtafval, de rest eet je op.”

Zulke „strafrituelen” passend bij volksgerichten trokken Rooijakkers aandacht nadat hij in Brabant in de jaren negentig hoorde over de kop en poten van een gevilde reegeit (vrouwelijke ree) die waren vastgetimmerd aan een kerkdeur. In de omgeving werd ’s nachts gestroopt en verklikkers, maakte deze actie duidelijk, werden niet getolereerd. Sindsdien analyseerde hij talloze voorbeelden: van paardenhoofden voor een deur tot koeienogen op de stoep („Kijk uit je doppen”).

De betekenis van het varken bij azc-protest is dubbel ‘vuil’, zegt Rooijakkers. Voor moslims is het varken onrein. Daarnaast drukt het varken als dood dier („kreng”) uit dat het subject, een azc, door een gemeenschap wordt gezien als asociaal, maatschappelijk vuil. „Uitwerpselen, poep op een deur; alles wat het lichaam afstoot heeft dezelfde betekenis.”

Al sinds de zeventiende eeuw worden dode dieren neergelegd om te intimideren. In het katholieke Brabant uitten dorpsbewoners zo hun ongenoegen jegens protestanten. Ze werden neergelegd bij predikanten en schoolmeesters. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw konden mensen die een trouwbelofte verbraken rekenen op een volksgericht en in het ergste geval een varkenskop. Sinds de jaren tachtig duiken ze op voor moskeeën en, de laatste maanden, bij azc-locaties.

Maatschappelijk vuil

Rooijakkers ziet weinig verandering met het repertoire van vroeger. Net als toen worden dode beesten nu neergelegd in het publieke domein. Een oprit, een erf. En net als toen zijn de daders, vermoedelijk, ongehuwde adolescenten uit de gemeenschap. „Twintigers en dertigers die niks te verliezen hebben en met stilzwijgende instemming van het volk ‘maatschappelijk vuil’ opruimen.” Het protest heeft van oudsher iets ‘carnavalesk’. „Hilariteit en spot zijn vaste ingrediënten. Neem zo’n man die een varkensmuts op zet.”

Het teruggrijpen naar zulke oude rituelen gaat onbewust, zegt Rooijakkers. Het is non-verbale grammatica die wordt gebruikt op ‘crisismomenten’, zoals rond de komst van een azc en „kennelijk” in het collectieve geheugen is gegrift.

En het werkt, constateert hij. Iemand hing in Heesch een varken in een boom, media gingen erover schrijven, het protest had zijn icoon en voilà, de gemeenteraad besliste: geen azc in Heesch. Andere actievoerders, zoals die van Pegida, kopiëren het icoon en versterken de symbolische waarde op Facebook. Waarna de groepscohesie versterkt is, mede door gebruik van humor, en daarmee het uiteindelijk verzet. „Een varken neerleggen, meer hoef je er niet voor te doen.”

Op Facebook laten Pegida-aanhangers weten dat ze extra mutsen hebben gekocht, die zaterdag tijdens de demonstratie „gewoon voor de kostprijs” te koop zijn. Er werden deze week meerdere Facebookpagina’s opgericht die het varken als protestmiddel op het podium tillen: ‘Je suis varkensmuts’ en ‘Solidair met het varken’. Daar circuleert een fotocollage waarop rechts Wagensveld met de muts te zien is en links een mevrouw met een burka. Waarom mag het een wel en het ander niet, is de vraag die wordt opgeworpen. Er is ook gefotoshopt beeld van Mark Rutte met de muts: ‘Vrijheid van meningsuiting houdt op bij het dragen van een roze varkensmuts’, staat erop. Wagensveld weet dat het varken als symbool wordt gebruikt om een afkeer van de islam te laten zien. Dat is mooi meegenomen, want het sluit aan bij de standpunten van Pegida. Maar voor Wagensveld is het varken nu vooral het ultieme symbool van vrijheid van meningsuiting.