Tot het uiterste omdat er daarna niets meer is

Sinds hij in de zomer van vorig jaar de sterren van de hemel fietste in de Ronde van Spanje is Tom Dumoulin (25) publiek eigendom. Maar wie is de ‘next best thing’ van de wielersport eigenlijk?

De dominante

Tom Dumoulin is de onbetwiste kopman van zijn ploeg Giant-Alpecin, daarover geen twijfel. Tot vorig jaar draaide het bij de Duitse formatie om het winnen van sprints met mannen als John Degenkolb, maar Dumoulins zesde plaats in de Ronde van Spanje heeft de prioriteiten van de ploeg verplaatst naar het algemeen klassement van een grote ronde. En toch rijdt hij de belangrijkste, de Tour de France, dit jaar waarschijnlijk niet – het hangt af van zijn resultaten in de Giro. Het draait in 2016 primair om de olympische tijdrit in Rio de Janeiro. Voor sponsors een stuk minder interessant, maar toch krijgt hij de ruimte van zijn ploeg. Is zijn wil wet, zoals de Volkskrant in december vorig jaar schreef? „Dat denk ik niet, ik kan goed water bij de wijn doen. Maar goed, dat zal de meest verschrikkelijke dictator ook over zichzelf zeggen. Het gebeurt wel dat ik het niet eens ben met de ploegleiding of met ploeggenoten. Dan ga ik de discussie aan. Uiteindelijk ben ik het die aangekeken wordt op resultaten, ik ben eindverantwoordelijk voor mijn prestaties. En ik ga voor het hoogst haalbare. Of dat mij een dominant mens maakt, weet ik niet. Dat kan ik niet over mezelf zeggen. Het beeld dat ik van mezelf heb is per definitie subjectief.” 

De directe

„Ik ben nogal direct. Tegen iedereen, ook tegen vreemden. Als iets me niet zint, dan zeg ik dat meteen. Dat kan soms ongenuanceerd overkomen. Ik heb een vrij sterke mening. Gelukkig krijg ik dan tegengas. Dat is belangrijk bij mij, daar word ik beter van. Ik houd ervan als anderen ook direct tegen mij zijn.”

De perfectionist

„Ja, dat ben ik dus veel meer dan ik ooit had gedacht en ook dan goed voor me is. Noem het controledrang, geen controledwang. Dat zou te ver voeren. Kijk hoe snel ik na die tegenvallende Tour over kon stappen naar de Vuelta. Maar ja, ik heb wel gehuild na die valpartij [in de derde etappe van de Tour 2015, richting Hoei, Wallonië, red.]. Niet van verdriet. Ik was vooral woedend en chagrijnig dat wat ik zo ontzettend graag wilde niet gelukt was. De gele trui pakken zou het hoogtepunt van mijn carrière worden. Ik achtte de kans dat het zou lukken reëel. In plaats daarvan belandde ik van het hoogtepunt in het dieptepunt. Dat verschil was zo extreem dat ik daar maar moeilijk mee om kon gaan. En dat reageer ik dan vervolgens wel af op anderen.”

De onverschillige

Maar zo perfectionistisch is Dumoulin niet altijd geweest. Op de middelbare school was het allemaal al snel goed genoeg. „Ik was van: laat maar waaien. Een zeven vond ik prima. School interesseerde me niet. Die houding is met de jaren omgeslagen, toen ik in wielrennen mijn passie vond.”

De planner

„Ik ben totaal niet van het plannen en vooruitkijken. Ik doe aan kortetermijndoelen. De Giro in mei, de Spelen in augustus, verder wil ik liever niet kijken. Ik heb dus ook nooit geweten wat voor soort chirurg ik had willen worden als ik ingeloot zou zijn geweest voor geneeskunde. Laat maar waaien, zo heb ik het het liefst. Ik leef erg in het moment.”

De ambitieuze

„Vanaf het moment dat ik kies om ergens heel goed in te worden, wil ik er ook het maximale uit halen. Dat is toevallig wielrennen geworden. Ik ben verslaafd aan de endorfines die ik van racen krijg. En ik vind het heerlijk om anderen te verslaan.”

Dit jaar telt voor Dumoulin eigenlijk maar één ding: olympisch goud. „Maar mijn seizoen is bijvoorbeeld ook geslaagd als ik goede resultaten rijd voor Rio en daar dan brons win. Maar als ik alleen brons zou winnen en verder niets weer niet. Het gaat me om het hele jaar, het complete plaatje.”

De toneelspeler

Verpest door de media, door zijn bekendheid ook. Dumoulin wikt en weegt sinds hij een publiek figuur is geworden elk woord dat hij van plan is uit te spreken. En daar baalt hij van, want daardoor kan hij in interviews nooit helemaal zichzelf zijn. In feite voert hij een toneelstukje op, „ook nu met jou”. Hij heeft het een paar keer uitgeprobeerd om te zeggen wat hij wil, want hij heeft het hart wel degelijk op de tong liggen, maar hij vond zijn uitspraken dan verdraaid terug en leerde het af. „Ik ben sinds 2013 [het jaar van zijn doorbraak met twee medailles op het NK wielrennen, red.] veel minder vrij en ik ben ook een stuk gereserveerder geworden. Thuis niet hoor, maar zodra ik de deur uit ga wel. En eigenlijk vlak daarvoor ook al, maar goed, jij gaat ook niet in je badpak over straat, toch? Maar ik moet er goed over nadenken waarin ik gezien word, wat ik zeg. Juridisch gezien kan ik niet zomaar zeggen wat ik denk over bepaalde mensen.”

De beroemdheid

„Ik ben nooit gaan wielrennen om bekend te worden, integendeel. Ik houd helemaal niet van alle aandacht. Waar ik ook kom, ook in het buitenland, ik word op straat herkend. Dat is niet leuk. Stel je eens voor dat er een totaal vreemde ineens op je af komt gelopen en iets van je moet. Dat klopt gewoon niet. Daarom zeg ik ook geregeld nee als ik word uitgenodigd voor een televisieprogramma. Ik heb er niets aan om nog bekender te worden. Het interesseert me niet.

De intellectueel

Een intelligente jongen, Tom Dumoulin. Een IQ tussen de 130 en de 140 – hij lacht en zegt dan: „zou kunnen”. Hoe haalt hij intellectuele uitdaging uit megalomaan trappen op een fiets tot het zoveel pijn doet dat het lekker is – zijn eigen woorden? „Zelfontplooiing heeft vele facetten”, zegt hij terwijl hij achterover in zijn stoel gaat zitten. „Ik vind het bijvoorbeeld erg leuk om de organisatie en de voorwaarden te creëren die ons team tot een succes maakt. Daar heb ik natuurlijk de nodige invloed op. Ik ben de kopman. Ik denk dat ik daarom nu meer leer dan op een managementopleiding.”

Dumoulin houdt zich veel bezig met trainingsleer. Via PubMed – een digitale database met biomedische onderzoeksinformatie – maar ook via zijn vader, hoofd van de afdeling ivf in het academisch ziekenhuis van Maastricht, neemt hij literatuur uit de bewegings- en trainingsleer tot zich. „Ik ben het bijvoorbeeld op dit moment niet eens met een bepaalde trainingsmethode die we gebruiken. Nee, ik zeg niet welke vorm. Maar daar wil ik dan over in discussie gaan en daarvoor heb ik goede argumenten nodig. Die vind ik in de literatuur. Ik heb twee jaar gezondheidswetenschappen gestudeerd, dus ik weet hoe ik onderzoeken op waarde moet schatten, ik ken de bias en de invloeden van verschillende partijen. Ik ben heel goed in het stellen van moeilijke vragen, als een kleuter die alles wil weten. Dat doe ik omdat ik op niveau mee wil praten over de training. Ik ben slecht in iets doen wat een ander zegt omdat het alleen maar ‘zo is’. Een hekel heb ik aan mensen die zeggen dat het zo en zo moet en niet anders.”

De bewaker

In interviews bewaakt Dumoulin voortdurend zijn eigen grenzen. Hij weet precies waar hij het wel en vooral niet over wil hebben. Hoe was hij als jongetje? „Rustig, vrij en open. Niet de moeilijkste en ook niet de makkelijkste. Maar verder is dat toch niet interessant?” Zijn vriendin? No-go-area. Ouders? Idem. Zaken en privé houdt hij gescheiden. „Hoe ik dat doe? Logica.”

De angstige

„Bang voor de dood? Ja. Dat is omdat ik geen comfort heb, geen houvast op dat gebied. Er is na het leven niets, en dat vind ik geen leuk idee. Of daar mijn bewijsdrang vandaan komt? Ik wil in elk geval wel het uiterste uit mijn leven halen. Dat is omdat ik niet weet wat er daarna is.”

Op de fiets kan ik ook wel bang zijn. Als we 70 kilometer per uur op een brede weg rijden en iedereen vecht voor zijn positie, dan ben ik wel bang om te vallen ja. Ik heb namelijk niet zo veel vertrouwen in anderen, zeker in het peloton niet. Maar gelukkig ben ik me daar op de goede momenten van bewust en kan ik het in mijn voordeel gebruiken.”

De familieman

Dumoulin is zes jaar samen met zijn vriendin, die hij leerde kennen voordat hij bij het grote publiek bekend werd. Samen gaan ze binnenkort ten westen van Maastricht net over de grens in België wonen. Het huis wordt nog verbouwd. „Huisje, boompje, beestje, maar zonder fiets. Ik wil niet dat ik in de eerste tien jaar van het leven van mijn kinderen altijd maar weg ben.”

De onzekere

Over zijn uiterlijk, onzeker? „Nee.” Duidelijk. Waarover dan? „Alleen wielrengerelateerd. Ik ben onzeker over Parijs-Nice bijvoorbeeld [eerstvolgende grote rittenkoers, start op 6 maart, red.]. Welke vorm heb ik daar ten opzichte van andere renners? Ik heb nog geen idee.”

De onverbiddelijke

Aan het eind van het interview nog een in charme verpakte waarschuwing. Een vriendelijke, bijna verlegen glimlach en daar achteraan meteen de boodschap: „Niets opschrijven waarover ik heb gezegd dat ik het niet wil hè? Want dan praat ik gewoon nooit meer met je.”

    • Dennis Meinema