Opinie

    • Caroline de Gruyter

Ooit deden regeringen wat het parlement wilde

In een volle zaal legt een Frontex-man uit waarom zijn mensen machteloos zijn. „De lidstaten wilden wel een Europese grenswacht, maar die mocht niks kosten en geen macht hebben. We hebben te weinig personeel, beperkt toegang tot databanken, en kunnen alleen landen binnen als ze ons formeel uitnodigen.”

Zo komt het dat Frontex met anderhalve man en een paardekop honderden Griekse eilanden ‘bewaakt’. Mensen hangen aan zijn lippen. Een voormalige regeringsleider – hij moet anoniem blijven van de regels – luistert anderhalf uur lang. Dan zegt hij dat het de schuld is van ‘Brussel’ dat te laat met de verkeerde oplossingen kwam.

En helemaal niemand in de zaal die hem de hamvraag stelt: „Waarom heeft uw regering in 2004 verhinderd dat Europa, toen het de binnengrenzen ophief, een stevige grenswacht kreeg om de buitengrenzen beter te bewaken? Heeft u geen spijt, achteraf?” Duitsland, Nederland, Oostenrijk, Denemarken, Zweden – de landen die nu zo’n ‘last’ hebben van de vluchtelingencrisis, waren toen van alle EU-landen het felst gekant tegen een sterk Frontex.

Zo werkt Europa: regeringen zorgen dat het machteloos is, en klagen vervolgens dat het niets kan. En de burger applaudisseert: „Europa heeft gefaald, het wordt tijd dat we onze zaakjes weer zelf regelen.”

Confuus? Lees dan het boek Le Bon Gouvernement van de Franse historicus en socioloog Pierre Rosanvallon. Een eyeopener voor wie wil weten waar het heengaat met onze democratieën. Rosanvallon bestudeert ‘democratische transformaties’ sinds de Franse revolutie. Nu wij de weg nogal kwijt zijn, is die historische vergelijking nuttig: instellingen functioneerden toen heel anders dan nu. Destijds deed de regering – de uitvoerende macht – wat het parlement wilde. Parlementariërs bepaalden wat er gebeurde en zaten de regering constant op de nek, over alles. „Ministers waren relatief passieve instrumenten in handen van het machtige parlement.”

Nu is het andersom. De uitvoerende macht wordt steeds ‘presidentiëler’. De regeringsleider vertegenwoordigt in veel Europese landen maar een klein deel van het electoraat. Hij ontleent zijn legitimiteit aan de uitslag van de laatste verkiezingen, waarna zijn partij hem naar voren schoof.

De dagelijkse legitimatie in het parlement is voorbij. Parlementariërs van coalitiepartijen proberen de regering in het zadel te houden. De oppositie hakt juist op de regering in: zij wil zelf de macht. Met wensen, vragen en grieven van burgers, die in een vertegenwoordigende democratie door het parlement verwoord moeten worden, wordt steeds minder gedaan. Want partijpolitiek is belangrijker. Het parlement, schrijft Rosanvallon, sluist de wil van het volk niet meer naar boven, maar „sluist de wil van de regering naar beneden”.

Geen wonder dat steeds minder burgers stemmen. Dat partijen leeglopen. Dat de roep om referenda – ‘noodgreepdemocratie’ – luider wordt. En dat regeringen zich, als het ze uitkomt, daarnaar luisteren.

De band tussen burger en bestuurder verslechtert, op alle niveaus. De Nederlandse kust mag niet bebouwd worden en toch gebeurt het. In Polen en Hongarije wordt onafhankelijke controle-organen de mond gesnoerd. Niemand houdt regeringen verantwoordelijk voor het feit dat ze de veiligheid van Europeanen verkwanselden.

Rosanvallon heeft gelijk. Alleen als we de uitvoerende macht weer serieus gaan controleren – niet alleen op bonnetjes maar vooral ook op verantwoordelijkheid, beleid en integriteit – is de presidentialisering van de macht te stoppen. Alleen dan krijgen we de democratie, en hopelijk ook Europa, weer op de rails.