Ik wring me in de levens van anderen

Antropoloog Roanne van Voorst woonde voor onderzoek een jaar in een sloppenwijk in Jakarta. Deze maand verscheen het boek dat ze erover schreef. „Ze vonden me extreem traag en onhandig.”

Tekst Joke Mat Foto Andreas Terlaak

Foto Andreas Terlaak

Buurvrouw

„Als je ergens lang blijft, raken mensen vanzelf een beetje verveeld. Je bent geen vreemde meer, je wordt de buurvrouw. Echtparen gaan gewoon ruziemaken waar je bij bent. Op die manier word je in een samenleving getrokken. En dan kom je er ook niet zo gemakkelijk meer uit. Je voelt je schuldig als je mensen weer achterlaat, je mist hen. Dat is goed. Ik wring me in iemands leven, het is goed dat het mij ook verandert.”

Schoorl

„Ik ben opgegroeid in een allochtonenwijk in Utrecht. Mijn broertje en ik waren op een gegeven moment de enige witte kinderen op de basisschool. Met Sinterklaas zaten mijn ouders voor iedereen surprises te maken want de ouders van onze klasgenootjes deden daar niet aan. We zijn eraf gehaald toen we een soort slang Marokkaans begonnen te spreken. Op vakantie gingen we altijd naar een huisje in Schoorl. Ik vond dat heerlijk, ik wist er de weg, had er een eigen wereldje. Pas later ben ik gaan reizen. Als student journalistiek: met een bus door alle nieuwe lidstaten van Europa. Slapen bij mensen thuis. Mijn verhalen gingen vaak over onrecht, ik was een fanatieke wereldverbeteraar.”

Bloedsoep

„Ik ging ook naar Groenland. Zat ik bij Inuitjagers aan tafel, zei ik heel beleefd dat ik als strikte vegetariër dat zelf geschoten zeehondje echt niet ging eten. Toen ik later antropologie studeerde ben ik er teruggeweest en was er geen haar op mijn hoofd meer die zoiets zou zeggen. Je stelt je dan op als buitenstaander, dat wordt vanuit de vakethiek ook niet gewaardeerd. Ik woonde op een jagerseilandje met 79 mensen en heb op zeehondenvlees overleefd. Het was wel wennen voor mijn maag, de ochtend beginnen met bloedsoep.”

Rivieroever

„Jakarta staat hoog op de wereldranglijst van gevaarlijkste steden. De grootste dreiging zijn overstromingen, vooral voor de sloppenwijken op de rivieroevers. Ik wilde promoveren op klimaatverandering en natuurdreiging en besloot een jaar in zo’n wijk te gaan wonen. In een bus ontmoette ik een jongen van 17 die zong voor geld. Hij zei: mijn wijk overstroomt vaak, ga maar mee. Laat in de avond kwamen we er aan, in het donker. Ik zag schimmen en voelde handjes – kinderen wilden weleens voelen aan zo’n blanke huid. De rivier stonk. Overal waren vuurtjes waarop mensen aan het koken waren, ik rook kruiden, heetgebakken rode pepers. Het ‘huis’ van de jongen had aarde op de grond en was overdekt met wat hout. Hij sliep er met meer kinderen. Die nacht ben ik er ook blijven slapen. Ik moest aan de kampongleider toestemming vragen om terug te mogen komen voor onderzoek. Dat mocht.”

Laptop

„Bang was ik niet. Ik had niet het idee dat in de sloppenwijken moorden werden gepleegd, en het is geen cultuur waarin vrouwen worden lastiggevallen. Wel dacht ik: ze zullen denken dat ik rijk ben. Maar een paar mensen wisten dat ik een laptop bij me had. Ik had een simpele telefoon die zij ouderwets vonden. Twee sets kleren. Maar ze wisten natuurlijk dat ik een vliegticket kon betalen. Een slimme dame verhuurde me haar huis – een kamertje met een peertje en een matras – op voorwaarde dat ik een jaar vooruitbetaalde. Van het geld bouwde zij een nieuw huisje, op het mijne. Dan zou zij voortaan veilig zijn bij overstromingen.”

Mango’s

„Ze vonden me extreem traag en onhandig. Ik liet rijst aanbranden, deed een baby niet handig in een slendang. Mensen waren heel bazig, behandelden me als een kind. Vertelde ik dat het niet zo lekker ging met mijn relatie, zei mijn huisbazin: je hebt ook veel te weinig mango’s gegeten. Mango’s verhogen het vrouwelijk libido. Moest ik uren mango’s schillen. Daar bleven ze dan ernstig naar kijken.”

Starbuckswereld

„Eén keer moest ik even terug naar Nederland. Dat was zwaar. Als ik ín de wijk zat was het oké. Maar als je even in de Starbuckswereld bent geweest en dán weer in de wijk komt valt het rauw op je dak. Er kwam een man met gangreen naar me toe, een etterende wond. Opeens moest ik vreselijk knipperen om niet te gaan huilen. Eerder had ik het daar niet zo moeilijk mee. Het dagelijks leven is niet alleen maar kommer en kwel. Het is vaak saai – urenlang mierzoete koffie drinken bij iemand, een beetje hangen. Er is ook veel te lachen. De jongen uit de bus besloot op een dag een wellnesscentrum te beginnen. Hij maakte toestellen van bakstenen en legde een badkuip met gaten in de rivier – die zo chemisch is dat hij bubbelt. Daar ging hij languit in liggen.”

Evacuatietent

„Als er een overstroming op komst was, waarschuwden ze elkaar via een buddysysteem. Dan kon iedereen net op tijd zijn matras met touwen naar het plafond hijsen. Ik deed dat ook. Alleen bij de grootste overstromingen zet de overheid een evacuatietent neer buiten de wijk, met gratis eten. Veel mensen willen daar niet heen, ze zijn bang dat hun illegale wijk intussen door dezelfde overheid wordt platgebulldozerd, zoals regelmatig gebeurt. Een paar hadden op hun dak een radiootje, batterijtjes, zaklampje, noedels liggen, zodat ze de overstroming daar konden uitzitten. Anderen gingen wel naar de tent en jatten eten voor iedereen. Ze trokken met bootjes de wijk door en gooiden pakjes eten naar boven.”

Privacy

„Het was wel een uitputtingsslag. Ik vind het heerlijk om in mijn eentje naar de film te gaan, boeken te lezen onder een dekentje op de bank. Daar had ik nul privacy. Ik sliep weinig; elke nacht kwamen er mensen binnen die ook ergens moesten slapen. Eén keer ben ik naar een bioscoop gegaan om rust te krijgen. Zakje kroepoek, airco, iets te drinken erbij. Ik zat alleen in de zaal. Toen kwam er een moeder binnen met drie kinderen. Het eerste dat ze zei tegen de kinderen: ga maar naast haar zitten. Ze vond me zielig, zo alleen. Daarom kwamen buren ook de hele tijd in mijn huisje. Als ik mensen vroeg waar ze het meest bang voor waren, waarbij ik dacht aan natuurrampen, bulldozers, zeiden ze: ‘Dat wat jij doet. Helemaal alleen in een huisje wonen.’”

Verrotte tomaten

„Toen ik terug was kocht ik maandenlang verrotte tomaten op bij Albert Heijn. Ik kon er niet tegen dat ze werden weggegooid. Als mijn vriend tussen de middag zijn lunch niet opat, deed ik dat. Zo lang leven in armoede had dat wel met me gedaan. Ik ben met een psycholoog gaan praten, nu gaat het beter. Nog steeds gooi ik liever geen eten weg, maar ik drink geregeld een dure kop koffie in Amsterdam met een vriendin. Dat kon ik eerst niet. In Jakarta al helemaal niet. Eén kop koffie in een winkelcentrum is tien maaltijden in de sloppenwijk. Dat vond ik zoiets pervers hebben. Ik heb in de wijk een tijd Engelse lessen gegeven en stiekem een paar opleidingen betaald. Een jongen en een meisje, allebei naar de autovakschool. Die onderhouden nu hun hele gezin. Ik schrijf artikelen op activistische websites. Dat ik er iets mee doe, vermindert het schuldgevoel. Maar uiteindelijk is het zo dat ik daar niet meer sta in de modder. Ik deel geen medicijnen uit; ik ben schrijver, ik doe onderzoek. Dat blijft een worsteling.”