Hoe de kwikzilverige Jan Toorop verhardde

Op een grote overzichtstentoonstelling in het Gemeentemuseum wordt duidelijk waarom Jan Toorop zo’n grote inspiratiebron was voor kunstenaars.

Jan Toorop, De gauwdief, 1884. Olieverf op doek, 90,2 x 160 cm

Als je zijn tijdgenoten moet geloven, was hij een kwikzilverige man: bevlogen en vernieuwingsgezind, intens snuffelend aan iedere nieuwe tendens om vervolgens in looppas weer door te gaan naar de volgende, een collega die zich uitsloofde om werk van collega’s als Van Gogh een groot publiek te geven, een dweper, een ijdeltuit, een sociale klimmer, een netwerker pur sang, een conflictueuze ziel en dromer tegelijk. De grote historicus Johan Huizinga herinnerde zich de kunstenaar Jan Toorop tijdens de voorbereidingen van een tentoonstelling in 1896 in Groningen: „Hij was toen op zijn prachtigst”, aldus Huizinga, „36 jaar, een Oosters vorst, met zijn betoverende welsprekendheid als hij zijn werken uitlegde en vaagweg naar de duinenlijn wees die veelal zijn horizont vormde, waarbij zijn beminnelijke betoog wegstierf in een gemompel: de duinen, het mysterie.”

Nee, eerlijk gezegd kon Toorop – in 1858 geboren op Java en in 1928 in Den Haag begraven, haast als een nationale held – niet veel zinnigs over zijn werk zeggen. Dat blijkt uit zijn teksten en redevoeringen: het was gemompel of gezwollen taal, en anders kroop hij wel achter de piano om zijn werk te duiden.

Toch groeit Toorop tussen 1883 en 1928 uit tot een van de meest inspirerende kunstenaars van Nederland. Toorop wordt hét boegbeeld van het symbolisme – in Nederland plat de ‘slaoliestijl’ genoemd, naar een affiche voor Delftsche Slaolie dat Toorop in 1894 ontwerpt. Waarom de kunstenaar zo’n voorbeeld is, wordt duidelijk op de zojuist in het Haags Gemeentemuseum geopende overzichtstentoonstelling.

Levenswerk

De expositie is het levenswerk van gastconservator Gerard van Wezel, die zich al ruim dertig jaar in Toorop verdiept en zijn expertise en kennis heeft samengebald in dit overzicht én in een kloek, helaas wat onevenwichtig en slecht gedrukt boek over de kunstenaar. Zo’n tweehonderd werken, bruiklenen uit binnen- en buitenland, zijn keurig chronologisch bij elkaar gebracht op de bovenste verdieping van het museum, in zalen die in kleur swingend contrasteren met de kunst. Hardrood is een mooi contrapunt bij het sombere naturalisme uit de beginjaren, in de verte lonkt het lila, geel en blauw.

Van sommige van de bruiklenen was het bestaan nauwelijks bekend. Het is de verdienste van Van Wezel die ze opspoorde, dat ze nu voor het eerst te zien zijn. Zo’n ontdekking is bijvoorbeeld het sprankelende De Gauwdief, een vroeg olieverf van Toorop uit het bepaald niet wereldberoemde Telfair Museum uit Savannah. Dit vreemd verstilde doek van een jongen die door de gendarme wordt teruggebracht in de krakkemikkige hut van zijn vader, bevat een schat aan grappige details. De zorgvuldig op grootte geschikte geraniumpotten bijvoorbeeld, verraden een oog voor esthetiek dat je in deze armoede niet verwacht. Het opvallendste in De Gauwdief is het licht dat uit het hooibergje op het erf lijkt te stralen, de mouwen van de hemden van de personages en vooral de schraperig geschilderde akkers in de verte. Dat maakt dit werk een schitterende voorbode van Toorops latere experimenten.

De tentoonstelling pretendeert Toorop voor het eerst als internationale, veelkoppige kunstenaar te brengen. Dat klinkt mooi, maar is niet helemaal waar. Van Toorop is al lang bekend dat hij ver buiten de muren van de Haagse School aan het experimenteren sloeg. Na een korte studie aan de Rijksacademie in Amsterdam vertrekt hij in 1883 naar Brussel, waar hij kennismaakt met onder anderen Ensor en lid wordt van de avant-gardistische kunstenaarsgroep Les XX. Vanaf dan stort hij zich in alles wat artistiek gezien broeit en gist in de Europese kunst. Met Ensor trekt hij naar Parijs, waar hij Signac en Seurat ontmoet. In 1886 volgt een kennismaking met Whistler in Londen.

Die ontmoetingen hebben een directe weerslag op zijn werk, dat luministisch wordt en zacht pointillistisch. Het bijzondere is niet zozeer dat Toorop die stijl hanteert in landschappen of in ijle portretten van rijke vrouwen die altijd uitgeput lijken, maar dat hij ze ook toepast in zware, realistische thema’s. Stervende armoedzaaiers, arbeiders voor en na de staking (een diptiek uit 1888), en het prachtige Vloed uit 1891 zijn hier voorbeelden van. In Vloed is een visser die een bomschuit trekt weliswaar de centrale figuur, maar je ziet dat de aandacht van de schilder is uitgegaan naar iets heel anders: de woest schuimende, blauwgroene branding die als een kapot mozaïek om de benen van de man uit elkaar is gespat.

Experimenten

Het interessantst is Toorop in deze experimenten en dat is ook de reden waarom hij belang heeft voor hedendaagse kunstenaars. Hij schikt en herschikt, als een stuk papier te klein is, plakt hij eenvoudig een stuk eraan en tekent verder, hij werkt en herbewerkt, soms jaren later nog, en ook in zijn materiaalgebruik is hij vrijmoedig. Ondertekeningen laat hij rustig zichtbaar, zoals in het haast abstracte De Twee Wilgen (1886-1889), hij krast met de achterkant van zijn penseel, gebruikt knettergekke kleuren (met het symbolistische De Nieuwe Generatie uit 1892 als hoogtepunt), hij schraapt verf weg of laat hele stukken leeg. Je ziet dat hij van tevoren niet precies wil weten waar hij aan het eind terecht zal komen.

Natuurlijk hangen in Den Haag ook al zijn beroemde symbolistische iconen: O Grave, where is thy Victory, De Sfynx, De Drie Bruiden, Zang der Tijden allemaal in 1892 en 1893 gemaakt. Ze maken duidelijk waarom een kunstenaar als Klimt zo onder de indruk was van Toorop. In die fase veroorlooft Toorop zich nog rare uitstapjes qua compositie en buiten de lijnen tekenen. Maar zijn pad leidt hem meer en meer richting mysticisme en religie. Het lijkt alsof er een verharding of simplificatie in stijl optreedt. Alsof Toorop de essentie van mensen en dingen alleen nog maar in sjablonen kan vatten. Zijn werk wordt monumentaal, eendimensionaal en fascistoïde haast, met figuren die je hard aankijken of en profil zijn afgebeeld. De kaken zijn op elkaar geklemd, de nekken als aambeelden zo breed. En dat is jammer: het onversaagde heeft het kwikzilverige gemompel uit de beginjaren overstemd.