Dwarse bedenker van de bloemkoolwijk

Dankzij Niek de Boer (1924-2016) staan een miljoen Nederlandse huizen aan woonerven in plaats van aan straten.

Stedenbouwkundige Niek de Boer en zijnschets voor een bloemkoolwijk.
Stedenbouwkundige Niek de Boer en zijnschets voor een bloemkoolwijk. Foto HH

Bloemkoolwijken worden de Nederlandse buitenwijken uit de jaren 1970-1985 genoemd. Waarom ze zo heten, is het best te zien aan de ideale woonerfwijk die de op 19 januari overleden stedenbouwkundige Niek de Boer (1924-2016) in 1972 tekende. De nooit gebouwde wijk bestaat uit trossen woningen rondom besloten hofjes of ronde parkeerplaatsen. Het geheel lijkt inderdaad op een bloemkool.

Toen de Boer de bloemkool tekende als illustratie bij een van zijn veelal polemische stukken, was hij allang vertrokken uit Emmen. In deze groeiende industriestad in Drenthe had hij omstreeks 1960 als stedenbouwkundige van de gemeente het woonerf uitgevonden. Bij het ontwerpen van Emmense nieuwbouwwijken als Angelslo had hij vastgesteld dat straten met rijdende en geparkeerde auto’s eerder barrières dan ontmoetingsplekken waren in een buurt. Emmerhout, de wijk die hij begin jaren zestig samen met André de Jong ontwierp, kreeg daarom zo min mogelijk verkeersstraten tussen de huizen. De meeste huizen kwamen er te staan op woonerven, zoals De Boer de autovrije gebieden noemde die het midden hielden tussen een straat en een plein. Hun auto’s moesten de bewoners parkeren aan het begin van het erf.

Het woonerf is zonder twijfel de belangrijkste uitvinding in de naoorlogse Nederlandse stedenbouw. Emmerhout werd een bedevaartsoord voor stedenbouwers en overal verschenen in Nederland woonerfwijken, in velerlei gedaanten. Uiteindelijk staan nu ongeveer 1 miljoen van de ruim 7 miljoen woningen in Nederland in bloemkoolwijken. Ook buiten Nederland heeft het woonerf ingang gevonden. Zelfs in de VS: nog vorig jaar begon in het het autoland bij uitstek in Ithaca (New York) de aanleg van een ‘woenurf’-wijk.

De in 1924 in Deventer geboren Niek de Boer kwam in 1955 als stedenbouwkundige in Emmen terecht na zijn studie Bouwkunde aan de Technische Universiteit in Delft. Hier had hij van Cornelis van Eesteren, de paus van de Nederlandse modernistische stedenbouw, de beginselen van de ‘functionele stad’ geleerd.

„In Emmen heeft hij veel voor elkaar gekregen omdat hij de volle steun van de burgemeester en wethouder kreeg”, vertelt planoloog Zef Hemel die bevriend was met De Boer. „Zelf deinsde De Boer er niet voor terug om lantaarnpalen uit de grond te sjorren als hij vond dat ze op de verkeerde plaats stonden.”

Na tien jaar Emmen vertrok De Boer, nadat de stad een nieuw bestuur had gekregen. „Hij was een lastige man”, zo verklaart Hemel zijn vertrek. „Hij ging altijd tegen de stroom in. Maar hij vond Emmen ook wel erg ver weg. Hij hield van de grote stad en ging na Emmen met zijn vrouw en drie kinderen in een mooi huis in Den Haag wonen. Van die kinderen is zoon Matthijs overigens ook stedenbouwkundige geworden.”

Ook als directeur van de Provinciale Planologische Dienst (PPD) van Zuid-Holland in Den Haag was De Boer tegendraads. Hij zag niets in de spreiding van Rijksdiensten naar het Noorden en Zuiden van het land dat toen onderdeel was van het ruimtelijke-ordeningsbeleid van de Rijksoverheid. Ook keerde hij zich tegen de grootschalige nieuwbouwwijken in ‘groeigemeenten’ als Zoetermeer die de oude, grote steden deden leeglopen.

Zijn pleidooi voor behoud en versterking van grote steden viel slecht bij de provinciale en grootstedelijke bestuurders. Die waren er eind jaren zestig bijna unaniem van overtuigd dat oude stadscentra in het kader van de cityvorming moesten worden veranderd in kantoorwijken. Mede wegens zijn dwarsheid werd De Boer in 1976 adviseur van Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland in plaats van directeur van de PPD. Maar voor opstandige bouwkundestudenten aan de Technische Universiteit in Delft waren zijn ongebruikelijke opvattingen eind jaren zestig juist reden om hem voor te dragen als buitengewoon hoogleraar. Later werd De Boer ‘gewoon’ hoogleraar stedenbouwkundig ontwerpen.

Ook in Delft bleef hij zijn dwarse opvattingen verkondigen. Na zijn emeritaat in 1989 bundelde hij zijn polemische beschouwingen in De Randstad bestaat niet (1996). Hierin zet hij uiteen dat de Randstad, een netwerkstad die volgens De Boer maar geen echte stad wil worden, niet de hoeksteen van de ruimtelijke ordening van Nederland moet zijn. Grote steden als Amsterdam, waar hij ten slotte zelf aan de Keizersgracht woonde, moeten de ruimte krijgen. Als gedeeltelijke bebouwing van het Groene Hart daarvoor nodig is, dan moet dat op een slimme manier gebeuren.

„Niek de Boer heeft in alles gelijk gekregen”, oordeelt Zef Hemel. „Als hoogleraar in Delft heeft hij een hele generatie stedenbouwkundigen opgeleid die het herstel van grote steden als Amsterdam in de afgelopen 25 jaar hebben vormgegeven.”