In nood betekent wilsverklaring voor niet reanimeren weinig

Bizar dat veel artsen niet gereanimeerd willen worden. Overlevers herstellen doorgaans goed. In acute nood is de keuze genuanceerder en geldiger dan in die verklaring vooraf, stelt hoogleraar Interne Geneeskunde Yvo Smulders. 

Demonstratie van niet-reanimeerpenning. Foto Marcel Antonisse/ANP 

Artsen en verpleegkundigen willen zelf niet gereanimeerd of kunstmatig beademd worden, terwijl ze dat hun patiënten wel aandoen, blijkt uit onderzoek van artsenfederatie KNMG en verpleegkundigenkoepel V&VN (NRC, 17 feb). Men zou er haast een complot in zien, of tenminste een stuitend gebrek aan consideratie van medici met hun patiënten. Ik ga het nu eens niet opnemen voor mijn collega’s. Integendeel, hun stellingname is meestal onstandvastig en vooral onzinnig.

Enkele weken geleden zag ik een oude collega-arts op de spoedeisende hulp met een ernstige longontsteking. Ik ken hem al langer van de polikliniek en hij had al jaren een expliciete en consistente mening over de zinloosheid van reanimatie en beademing op zijn leeftijd. Na uitleg dat antibiotica hem uiteindelijk zouden kunnen genezen, zei hij: „Ik wil niet als kasplantje verder, maar áls je me kan genezen wil ik graag dat je daar alles voor doet.”

Hij is opgenomen en de nacht daarop met spoed naar de intensive care verplaatst voor beademing, omdat zijn longen te ziek waren om zelf het werk te doen. Twee weken later verliet hij het ziekenhuis in goede conditie. Zijn weloverwogen wilsverklaring, die op de keukentafel was achtergebleven, heeft hij meteen verscheurd.

In nood kiest de mens voor verlichting, bij doodsangst voor het leven
Wetenschappelijk onderzoek en de dagelijkse praktijk tonen keer op keer aan dat de grenzen die mensen zich voornemen te stellen aan medische behandelingen verschuiven zodra de voorspelde situatie zich werkelijk voordoet. Op de spoedeisende hulp maak ik dit dan ook frequent mee. Een wilsverklaring, al dan niet op schrift gesteld, heeft in een acute situatie om die reden ook weinig waarde. Immers, zolang de patiënt aanspreekbaar en wilsbekwaam is (en meestal is dat zo) geeft het oordeel van dat moment de doorslag. En als de patiënt dan terugkomt op een eerder uitgesproken of op schrift gestelde behandelbeperking, wat dus vaak gebeurt, dan ga je als arts niet zeggen ‘ho ho, dat was niet afgesproken’.

Maar ook bij niet-aanspreekbare patiënten kiest de familie vaak alsnog voor agressieve behandelopties. Dit is niet vreemd of erg, het is onze aard. In nood kiest de mens voor verlichting, bij doodsangst voor het leven. Dat geldt voor alle mensen. Artsen en leken nivelleren dan opmerkelijk snel naar dezelfde beslissingen, alle eerdere stoere taal ten spijt.

Wilsverklaring op de site van een huisarts

Behalve onstandvastig is de uitspraak niet gereanimeerd of beademd te willen worden bovendien onzinnig, omdat de prognose van die behandelingen volstrekt onvoorspelbaar is. Voor reanimatie geldt inderdaad dat gemiddeld het merendeel van de patiënten (70 tot 90 procent) sterft. Hierbij moeten twee dingen aangetekend worden. Ten eerste rapporteren de overlevers van een reanimatie doorgaans een redelijke tot goede kwaliteit van leven (ze geven hun leven meestal een rapportcijfer tussen de 7 en 8). Ernstige fysieke of geestelijke beperkingen na reanimatie zijn zeldzaam. Het spreekwoordelijke ‘kasplantje’ komt na reanimatie in Nederland hooguit enkele keren per jaar voor. Het is dus niet zo dat reanimatie een risicovolle handeling is, met grote kans op schade.

Tenzij het om principiële of religieuze redenen is
Belangrijker nog dan de gemiddelde prognose is dat deze extreem variabel is, afhankelijk van wat er precies aan de hand is. Het slechtste scenario is dat iemand levenloos wordt aangetroffen en het hart geen elektrische activiteit meer vertoont. Reanimatie is in deze situatie, zeker op hoge leeftijd, vrijwel zinloos. Maar het komt regelmatig voor dat iemand te midden van andere mensen in elkaar zakt, geen voelbare polsslag meer heeft en bij aansluiten van de defibrillator een ernstige hartritmestoornis (fibrilleren) blijkt te hebben. In die omstandigheid kan zomaar meer dan de helft van de patiënten gered worden en volledig herstellen.

Een extremer voorbeeld van reanimatie met een goede prognose is acute verstikking, bijvoorbeeld in een steakhouse. Ook dan kunnen reanimatiehandelingen noodzakelijk zijn, maar is de uitkomst vaak restloze genezing.

Omdat de prognose zo sterk wisselt, is het bizar om categorisch tegen reanimatie te zijn, tenzij het om principiële of religieuze redenen is, of men in een levensfase is dat de dood sowieso een welkome gast is. Hetzelfde geldt voor kunstmatige beademing, waarvan de prognose eveneens sterk varieert, afhankelijk van wat er precies aan de hand is.

Mijn advies
Kortom, wees voorzichtig met stoere taal uit te slaan, dat je later ‘nooit gereanimeerd of beademd wil worden’. Als puntje bij paaltje komt is de keuze vaak anders en is die andere keuze zelfs vaak de juiste, omdat scenario’s waarin de prognose wél goed is zeer wel mogelijk zijn.

Wel of niet reanimeren heeft ook niets te maken met te lang doorgaan met behandelen, bijvoorbeeld bij uitgezaaide kanker of verregaande ouderdom. Indien tijdens een behandelfase elke dood een welkome verlossing is, is er immers sowieso te lang doorbehandeld. Zulke patiënten hebben behoefte aan liefdevolle verzorging thuis en begeleiding door de huisarts, niet aan heroïsche handelingen als reanimatie of beademing.

Mijn advies aan zowel leken als collega’s is om niet te lichtzinnig categorisch van reanimatie of beademing af te zien. De kans dat u, wanneer het er echt om gaat, van mening verandert is levensgroot. Bovendien ontzegt u zichzelf mogelijk goede overlevingskansen.

Wat ik u toewens, is een bekwame en verstandige arts die bij een acute noodsituatie de zinvolheid van pogingen tot levensreddend handelen goed kan inschatten.

Lees ook
Niets doen is niet gemakkelijk
Pas op! Sluikreclame voor euthanasie​