De Iraanse wezen van Koerdistan

De Syrische oorlog brengt alle Koerden in beweging, maar Teheran houdt zijn Koerdische minderheid, die drie jaar geleden op Rohani stemde, stil.

Koerden in het Iraanse dorp Oraman, nabij de grens met Irak. Ze dragen de zogehetenkolabal, het traditionele vest van bruine vilt met puntschouders. Foto GETTY

In een klein buurtcentrum in Iraans Koerdistan gaan de jassen uit. Buiten steekt de glinsterende sneeuw af tegen de donkere bergtoppen. Daarachter liggen de grenzen: met Turkije, Irak en de politieke ontwikkelingen waar Iraanse Koerden enkel over kunnen dromen.

Binnenskamers worden die grenzen overstegen. Oude vrouwen, jongens met pubersnorren en lokale intellectuelen lezen voor uit hun eigen gedichten. Over de eenzame Peshmerga-strijder, de grote meesters van de Koerdische literatuur, en de strijd van hun ‘broeders en zusters’ tegen Islamitische Staat in Syrië. De emoties lopen op, en de discussie dwaalt af naar de Iraanse regering. Misschien weet niet iedereen dat achterin de kamer agenten in burger nog steeds stil waken over de grenzen tussen poëzie en politiek.

Dit is de ambiguïteit van Iraans Koerdistan. Tien tot twaalf miljoen Koerden lopen hier rustig in hun pofbroeken en praten bij in hun eigen talen. Maar de rust wordt afgekocht met zwijgzaamheid. Even vestigden de Koerden hun hoop op toenmalig presidentskandidaat Rohani, die in 2013 beloofde een eind te maken aan de marginalisering van Irans minderheden (vrijwel de helft van het land). Maar nu is er vooral teleurstelling. Terwijl heel Koerdistan in oproer is en Iran in de ban is van de verkiezingen, afgelopen vrijdag, blijven de Iraanse Koerden schijnbaar stil.

Dat was ooit anders. Na 1945 stonden ze even aan de knoppen van de Koerdische verbeelding. Gesteund door Mustafa Barzani, vader van de huidige president van Iraaks Koerdistan, hadden ze rond Mahabad elf maanden een onafhankelijke staat.

In 1978-79 kwamen de Koerdische regio’s opnieuw in opstand, ditmaal als pioniers van de Islamitische Revolutie. Van de nieuwe opperleider Khomeini kregen ze niet de gehoopte autonomie maar militair bestuur. In de oorlog met Irak (1980-88) zat Iraans Koerdistan klem tussen Saddams chemische aanvallen en ‘veiligheidscampagnes’ vanuit Teheran.

Nu voelt men zich vergeten. „Wat weten jullie van ons?”, vraagt student Ramyar retorisch. „Ik snap ook dat het Westen nu meer heeft met Koerdische vrouwenstrijders die de held uithangen tegen IS. Maar zij zullen weer vergeten worden. Dat weten wij maar al te goed.”

Ook onder Rohani houdt Iran haar Koerden nog altijd klein, zegt hij. Discriminatie is vaak religieus. „Vorig jaar nog is een van de weinige sunnitische moskeeën gesloten. En met een sunnitisch klinkende naam, kun je meestal fluiten naar een baan of studieplaats.” Andere klachten: onderwijs alleen in het Perzisch en vrijwel alle bestuurders in Koerdistan komen van buitenaf.

Maar waar kún je klagen? Zinar heeft het opgegeven. Eens was hij journalist, maar na jaren in de cel verruilde koos hij soefi-meditatie. „Ons probleem is het isolement. Kijk naar Turkije. Verschrikkelijk, geen twijfel. Maar de Turkse Koerden hebben hun eigen politieke organisaties, een internationaal netwerk, en contacten met media in binnen- en buitenland. Wij niet.”

Maar is de situatie in Iran niet gewoon een stuk beter, en toont het gebrek aan activisme in Iraans Koerdistan niet juist relatieve tevredenheid? Hij denkt van niet. „Dictatuur is gestoeld op politieke apathie. Het regime houdt zichzelf in stand door haar burgers te isoleren, onderling en van de wereld. De stilte is hier bedrieglijk.”

Volgens de Iraans-Koerdische socioloog Abbas Vali ligt de verklaring in gebrek aan leiderschap. „De politieke verbeelding van jonge Iraanse Koerden is niet kortzichtig. Ze doen inspiratie op uit heel Koerdistan en gaan veel verder op het gebied van directe democratie en sociale gelijkheid dan de oude partijen.” Vali doelt op de marxistische Komala en de Democratische Partij van Iraans Koerdistan (PDK-I). „Maar die hebben hun basis in Irak. Ze proberen het Iraans regime van buitenaf te bestrijden en verliezen het contact met de Iraanse samenleving, vooral met de jonge generatie. Jongeren weten dat Koerdische bewegingen het sterkst zijn als ze met niet-Koerden strijden voor democratisering van Iran in zijn geheel.”

Maar in Iran blijft dit potentieel voorlopig tussen vier muren. In Ramyars flat worden sigaretten opgestoken. Het is laat, maar de vrienden debatteren door. „Verzet is leven!”, roept een van hen, niet zonder zelfspot. Want wat zijn de mogelijkheden? „Sommige van mijn vrienden zitten in de bergen. Zij vechten voor een Iraanse splintergroep van de bewapende PKK. Ze vragen of ik ook kom, maar geweld is niet mijn ding.”

Hij pakt zijn laptop en laat een filmpje zien van Selahattin Demirtas, de co-leider van de democratisch-Koerdische HDP in Turkije. „Heb je gezien hoe hij de Turkse regering weg debatteert? Dat is pas leiderschap!” Tot diep in de nacht klikken ze zich een weg door een landschap dat vooralsnog alleen in hun dromen bestaat: zelfbestuur in Syrisch Koerdistan (Rojava), campagnespotjes, demonstraties van Koerdische bewegingen in Europa.

Maar zolang Iraanse Koerden niet betrokken worden bij eventuele hervormingen in Iran, blijft hun verbeelding beperkt tot een beeldscherm.