De eenzaamheid van de Joden in Frankrijk is enorm

Filmmaakster en actrice Marceline Loridan-Ivens schreef een brief aan haar in Auschwitz omgekomen vader. Ze gelooft niet dat de wereld veranderd is.

Joris Ivens en Marceline Loridan tijdens de opnames van Une histoire de vent, 1988

‘U denkt toch niet dat de Fransen de straat op waren gegaan als er alleen maar Joden vermoord waren?” De verbouwereerde interviewer van het goedbeluisterde ochtendprogramma op de Franse radio moest na de tirade van Marceline Loridan-Ivens even happen naar adem. Het was twee weken na de historische ‘republikeinse mars’ die in januari 2015 miljoenen Parijzenaars de straat op had gebracht uit protest tegen de terroristische moorden bij het weekblad Charlie Hebdo en in de kosjere supermarkt Hyper Cacher.

Loridan-Ivens, weduwe van de bekende Hollandse filmer Joris Ivens maar in Frankrijk als femme de caractère ook op eigen kracht een instituut, was „iedere illusie kwijt”, zei ze tegen presentator Patrick Cohen op een moment dat het land zich net even goed voelde over zichzelf en zijn veerkracht. „We weten heel goed waarom Joden vermoord worden, dat is een oude christelijke geschiedenis”, vervolgde ze. „Laten we niet denken dat de wereld is veranderd.”

Filmmaaktster Loridan-Ivens, ‘née Rozenberg’, was te gast vanwege het verschijnen van Et tu n’es pas revenu, een wonderschoon geschreven brief aan haar vader die nu ook in het Nederlands is vertaald. Samen waren ze in 1944 in het zuiden van Frankrijk opgepakt en op transport gezet. Hij naar Auschwitz, zij naar het aanpalende Birkenau. „Jij zult misschien terugkomen omdat je jong bent, ik zal niet terugkomen”, profeteerde de vader in het interneringskamp in Drancy, bij Parijs, tegen zijn dan 15-jarige dochter.

Maar hij bleek nog in leven toen ze elkaar op een dag, terugmarcherend van de dwangarbeid, weer ontmoetten en kort in de armen vielen – tot een bewaker hen hardhandig uit elkaar trok. Iets later bezorgde een elektricien die voor beide kampen werkte een briefje. Terwijl ze zich het leven in het kamp en rond de gaskamers tot in de gruwelijkste details kan herinneren, weet ze met geen mogelijkheid de „stuk of vijf zinnen” uit dat zoekgeraakte briefje boven te halen. Ze weet nog slechts dat haar vader begon met ‘ma chère petite fille’ en ondertekende met zijn Jiddische voornaam Sjlomo.

Hij overleefde het kamp niet en zij wel. Ruim zeventig jaar later geeft ze hem alsnog antwoord.

„Als je wat ouder wordt, kijk je terug op je leven en wil je de balans opmaken”, zegt de frêle Loridan-Ivens (87) in het appartement in Saint-Germain-des-Prés waar ook Ivens tot zijn dood in 1989 woonde. „Ik heb mezelf de vraag gesteld: tegenover wie wil ik verantwoording afleggen, aan wie wil ik vertellen hoe ik geleefd heb? Toen kwam ik bij mijn vader. Al is hij zeventig jaar dood, met hem heb ik het ergste van mijn leven gedeeld. Hij heeft geleefd zoals ik en is de enige die me zou kunnen begrijpen.”

Ze schrijft hem over het kamp, over de terugkeer en de trauma’s, over hoe een broer en zus zich van het leven beroofden en hoe zij zich ook geen raad wist in het château dat hij nota bene tijdens de oorlog in Vichy-gebied gekocht had. „Ik heb die plek nooit begrepen”, noteert ze. „Dacht je dat we als kasteelbewoners in hun ogen minder Joods zouden zijn?” Het huis „gaf de mensen ook wel heel makkelijk de mogelijkheid te zeggen dat alle Joden rijk zijn”, zegt ze nu bitter. „Je hield van dit land, maar ik betwijfel of de liefde wederzijds was”, schrijft ze. „Frankrijk heeft je de dood ingestuurd.”

Ze schrijft hem over het antisemitisme, ook dat van na de oorlog. Ze gebruikt de namen van de twee mannen met wie ze getrouwd was, want „het was makkelijker Loridan te heten dan Rozenberg”, laat ze hem tot haar spijt weten. En dan haar schuldgevoelens als overlever. Had ze eigenlijk wel moeten terugkeren uit het kamp? „Die gekte van de Joden om na de oorlog tot elke prijs de vroegere toestand te herstellen was intens en zwaar, daar heb je geen idee van.”

Wat bedoelt u daarmee?

„Ik heb een man gekend die zijn vrouw en vijf kinderen had verloren. Hij hertrouwde en begon een nieuw gezin. Dat is hoe het leven gaat, maar ik vind het heel moeilijk te begrijpen en te verdragen. Ik heb geen kinderen gekregen, geen gezin gevormd. Ik heb geleefd met een man die alle mogelijke risico’s nam en ik heb zelf ook nogal wat risico’s genomen.”

Heeft u altijd over het kamp kunnen praten?

„Ik praat over de Shoah op zijn ergst, zonder me aan de ongeschreven regels te houden. Ik ben altijd een rebel geweest, heb hier in Frankrijk een slechte reputatie”, lacht ze. „Natuurlijk kom ik vrolijk over, dat is die Joodse zelfspot, maar als mensen mij vragen wat er gebeurd is, dan krijgen ze ook een echt antwoord.

„Wat me ergert aan de meeste kampgetuigenissen is dat ze eindigen in 1945. Ik doe dat al mijn hele leven anders. Mijn leven is in zoveel opzichten door die kampervaring getekend, in al mijn gedragingen, dat begrijpt niet iedereen. Ik heb het meest over de oorlog gesproken tijdens mijn reizen met Joris in China en Vietnam. Daar respecteerden mensen me als oorlogsoverlevende, daar begrepen ze het door hun eigen ervaringen.”

Hoe kon u na de oorlog overleven?

„Door me altijd te blijven gedragen alsof ik in een kamp was. Ik herinner me dat als ik naar de CNC moest, het Centre National de la Cinématographie, voor subsidie, of zelfs als ik naar het postkantoor ging, dat ik het huiveringwekkend vond om de arrogantie te zien van mensen met zo’n heel klein beetje macht. Die macht heb ik altijd gewantrouwd, de geest van opstandigheid heeft me doen overleven.”

Het ‘kleine lieve meisje’ dat ze voor altijd zou blijven, vertelt haar vader in het boek hoe ze in 1961 als actrice doorbrak in de film Chronique d’un été van Jean Rouch en de filosoof Edgar Morin. Daarin vroeg ze willekeurige passanten op Place de la Concorde of ze gelukkig waren, waarna ze over de oorlog vertelde en het registratienummer op haar arm toonde. De familie sprak er schande van. Ze vertelt hem over Joris Ivens, de liefde van haar leven met wie ze werkte aan beroemd geworden projecten als Comment Yukong déplaça les montagnes (1976) over Mao’s culturele revolutie. „Wat waren we naïef in die tijd”, zegt ze daarover.

Zelf maakte ze in de jaren zestig een documentaire over Franse koloniale misstanden in Algerije en later, na de dood van Ivens, onder andere een autobiografische speelfilm over Birkenau, La Petite Prairie aux bouleaux, waarvoor hoofdrolspeelster Anouk Aimée in 2003 een Gouden Beer kreeg. „Ik hield zo veel van je dat ik me gelukkig prees met jou te zijn gedeporteerd”, zegt Aimée liggend op een gevangenisbed in die film tegen haar denkbeeldige vader.

„Ik heb veel gedaan waar mijn vader grote moeite mee zou hebben gehad”, zegt Loridan-Ivens. „Ik ben niet getrouwd met een Jood, ik was links en ik dacht dat ik de wereld kon verbeteren, waarom hij me uitgelachen zou hebben. Wat dat laatste betreft had hij trouwens gelijk. Ik dacht met Joris dat het universalisme alles zou oplossen, maar hij wist als zionist toen al dat het antisemitisme nooit zou verdwijnen. Het zit te diep.”

Heeft u dat gevoel al lang?

„Sinds een jaar of twintig, maar vooral sinds de aanslagen in New York op 11 september 2001. Sindsdien voel ik me meer Joods dan ooit eerder in mijn leven.”

Maar dat waren toch geen aanslagen tegen Joden?

„Nee, natuurlijk niet. Maar ik schrok van de complottheorieën die toen ontstonden en werden opgeschreven om Arabieren vrij te pleiten. Dat de Mossad het zou hebben gedaan, of zoiets. Die permanente neiging tot complotvermoedens is schokkend als je beseft hoe kort geleden de oorlog is. We hebben geen enkele les getrokken. Als we zeggen ‘nooit meer Auschwitz’ is dat een holle frase.”

Ze is even stil. Begint dan hard te lachen, zoals ze naar eigen zeggen haar hele leven heeft gedaan als ze de ergste dingen bespreekbaar wil maken.

„Ja, dat is natuurlijk zwaar”, vervolgt ze. „Maar hoe denk je dat het voelt als je op je oude dag in de straten van Parijs activisten ‘mort aux juifs’ hoort roepen?” Dat was in 2014, tijdens een betoging voor Palestina. „Ik dacht: niet weer, c’est pas possible. Of ik sterf of ik vertrek. Maar ik ben niet dood en ik ben niet vertrokken, want Frankrijk is nog altijd mijn land, het land waar ik van hou. Ik ben Française.”

Bijna 8.000 Franse Joden vertrokken vorig jaar naar Israël, meer dan in tientallen jaren.

„Dat begrijp ik wel. Ik ben te oud om een nieuw leven op te bouwen, maar er zijn genoeg redenen om te gaan, en meer dan ooit. De eenzaamheid van de Joden in Frankrijk is enorm.”

U vertelde op de radio hoe moeilijk het is op scholen de Holocaust te bespreken.

„Ik liet een tijdje terug de film zien die ik over Auschwitz heb gemaakt en verschillende kinderen in de klas gingen met hun vingers klikken uit protest. Totaal laf en schokkend natuurlijk. Zoiets gebeurt niet in het centrum van Parijs, maar wel in de banlieue. Een vriendin, die ook over haar kampervaringen op scholen praat, vertelde me dat leerlingen op een school buiten Parijs haar gingen uitlachen. En de leraar greep niet in. Dat is onvoorstelbaar.”

Is dat een nieuw verschijnsel?

„Antisemitisme bestaat in Frankrijk op alle niveaus, altijd al. Franse Fransen zijn minder antisemitisch dan vroeger, denk ik, maar er is een nieuw geïmporteerd soort antisemitisme. De Joods-Palestijnse oorlog is daarvoor een slap voorwendsel: antizionisme verheelt meestal een dieper antisemitisme. Ik woon hier, dus ik neem nooit positie in over wat er daar gebeurt. Ik weet alleen dat Israël moet overleven.”

Weer die harde lach.

Ze staat op, schuifelt naar haar kantoor en komt terug met een citaat van Primo Levi uit 1979. Het is uitgeprint in enorme letters: sinds een paar jaar is ze het grootste deel van haar gezichtsvermogen kwijt. „Ik denk in de gruwelen van het Derde Rijk een unieke en symbolische gebeurtenis te zien”, leest ze Levi op gedragen toon voor, „waarvan de betekenis nog niet geheel opgehelderd is: de aankondiging van een nog grotere catastrofe die de mensheid bedreigt en die alleen afgewend kan worden als we er werkelijk in slagen om het verleden te begrijpen.”

„Primo Levi zegt wat ik ook al heel lang zeg: we zijn op dat moment aangekomen, ons wacht het ergste. De mensen zijn niet in staat vooruit te kijken of wat dan ook af te wenden. Ik heb mijn boek geschreven met dat citaat in gedachten. Ik ben in mijn boek nog wat terughoudend, want ik wilde niet te krachtig uit de hoek komen. Maar de conclusie van de afgelopen jaren is dat Joden vermoorden normaal is geworden.”

Ze verwijst naar ‘scootermoordenaar’ Mohamed Merah die in 2012 in Toulouse Joodse schoolkinderen vermoorde. Ze noemt de ontvoering, marteling en moord van een Joodse telefoonverkoper een paar jaar eerder. En opnieuw de gijzeling bij de Hyper Cacher in Parijs. „Maar pas na 130 doden in de Bataclan beginnen mensen te begrijpen dat na de Joden iedereen aan de beurt is. Een nieuw type oorlog dringt binnen. Ik ben bang voor de vernietiging van Europa, als we niet uitkijken. De mens lijkt niet in staat zich te verdedigen tegen een terugkeer naar denkbeelden uit de Middeleeuwen. De democratie is Hitler al eens van dienst geweest en is nu de huidige vijand van dienst. We hebben niets geleerd.”

Hoe kijkt u terug op de films die u met Ivens maakte?

„Die zijn nog altijd zeer belangrijk, ze brengen verslag uit van een historische tijd. In al die films, ook in die over China, zie je tekenen van wat er mis was in die landen, we hebben niets verdoezeld. Wat me een goed teken lijkt, is dat ik kort geleden bericht kreeg dat ze op een festival in Peking al zijn en onze films over China wilden vertonen. Een tijdje later kreeg ik een nieuw bericht dat de regering dat verboden heeft. Dat zegt wat over de films, er zit een diep verlangen naar democratie in.”

Ivens was communist. U niet, schrijft u in het boek.

„Ik was minder overtuigd dan hij. Maar Joris was ook niet echt communist hoor, hij was een poëet, geen politicus. Hij was een veel vrijer en intelligenter man dan iedereen altijd denkt. Ik hield zelf vooral van het idee van revolutie, dat is mijn opstandigheid. Maar ik heb geen vertrouwen in het volk.” Het meest overtuigend daarvoor lijken me de foto’s uit 1944 uit Parijs. In april zie je een miljoen Fransen voor het Hôtel de Ville maarschalk Pétain toejuichen en een paar maanden later, in augustus, onthalen ze op dezelfde plek met een miljoen mensen De Gaulle. Ik ben ervan overtuigd dat dat dezelfde mensen waren.”

Was u toen al gedesillusioneerd?

„Als je uit de hel komt, dan raak je iedere illusie kwijt. In de hel, het kamp, moet je vuile handen maken. Je keert terug als wolfskind zonder normen of maatstaven. Alles wat je vooraf geleerd hebt, raak je kwijt, normaal functioneren gaat niet. Als je daarna moeilijk voor jezelf kunt zorgen, dan is het ook lastig iets voor anderen te doen. Moet je solidair zijn? Het waren uiteindelijk simplistische ideeën waarmee we dachten de wereld te verbeteren. We geloofden in eeuwige vooruitgang, hoe meer de mensen naar school zouden gaan, hoe meer we zouden weten. Het was allemaal niet waar.”