Asocialen kregen een dorp

Elsbeth Etty grasduint door de stapel nieuw binnengekomen boeken en geeft een eerste indruk.

Als sluitstuk van de sociale woningbouw die de arbeiders uit hun krotten en kelderwoningen een menswaardig onderkomen moest geven, bouwde de gemeente Amsterdam in 1927 een speciale wijk voor een groep achterblijvers, de ‘ontoelaatbaren’ of a-socialen, die onder streng toezicht burgerlijke beschaving moest worden bijgebracht. De wijk was ommuurd en had slechts één opening. De knappe studie van Stephan Steinmetz over dit verbluffende project, Asterdorp [1], kwam vorige week in het nieuws dankzij de onthulling dat Amsterdam tijdens de bezetting de huren verhoogde, toen de wijk in 1941 door de Duitsers werd aangewezen als joods getto. De bureaucratische dienstklopperij jegens de joodse ‘scheefwoners’, sluit aan bij het kille paternalisme dat Asterdorp van het begin af aan tot oord van dwang en vernedering maakte. Nette arbeiders moesten kunnen neerkijken op de werklozen. Vrouwelijke opzichters hielden op elk detail van het gezinsleven op de meest krenkende wijze toezicht, zelfs op de was: die mocht niet zichtbaar zijn, zeker niet vies, maar ook niet schoon, want dan moest die in de kast liggen. Het gereformeerde dagblad De Standaard noemde de bewoners : ‘ontoelaatbaren’, ‘dronkaards’, ‘vechtersbazen’, ‘achterlijken’, ‘opmakers’, ‘slordige mannen en vrouwen’. De communistische krant De Tribune meende daarentegen dat men hier in het slechtste geval te maken had met gedemoraliseerden, onverschilligen, die door zware armoede, zonder hoop op lotsverbetering, nog dieper in de misère werden gedrukt.

„Alle morele vragen gaan over gehoorzaamheid.” Deze stellige uitspraak zou een motto hebben kunnen zijn van Asterdorp, maar het is een citaat uit het nieuwste boek van de Britse psychoanalyticus Adam Phillips. In Het plezier van alles wat mag [2] filosofeert hij over de betekenis van gehoorzaamheid en onderdanigheid versus genot en plezier. Gehoorzaam zijn kan betekenen dat je veel te volgzaam of zelfs onderdanig bent. Of het kan betekenen dat je de juiste meester gehoorzaamt, de juiste wetten, de juiste God. Volgens Phillips – die zich veel met taal bezighoudt – heeft gehoorzaamheid altijd de vorm van gehoorzaamheid aan een bepaald vocabulaire, bijvoorbeeld de Tien Geboden. Maar dat is dan juist weer frustrerend in een cultuur die zelfkennis, zelfverwerkelijking en individualisme propageert. Kan iets alleen maar genot verschaffen als het ‘slecht’ of verboden is? Waarom kunnen we geen plezier beleven aan wat wél mag? Phillips’ boeken zijn erudiet en intrigerend, maar aan het eind denk je vaak: nou en? Hij meandert vergeefs door de werken van Oscar Wilde, Nietzsche en Freud om het antwoord te vinden op de vraag waarom de verboden vruchten begeerlijker lijken dan alles wat is toegestaan. „Voor zowel Nietzsche als Wilde is de mens een dier dat oordeelt en niet louter een dier dat gehoorzaamt.”

Een kwart eeuw na het verschijnen van Kwellende liefde [3] is nog steeds niet onthuld wie er schuilgaat achter Elena Ferrante, de auteur van dit meesterlijke debuut uit 1992. In Nederland kreeg de in het naoorlogse Napels spelende (inmiddels verfilmde) roman over kindermisbruik, huiselijk geweld en overspel nauwelijks aandacht. Pas sinds Amerikaanse en Britse media Ferrante de belangrijkste Italiaanse schrijver van deze tijd noemen, heeft haar/zijn onverbloemd feministische oeuvre ook hier succes. De vier ‘Napolitaanse romans’ die in de Verenigde Staten de hype ‘FerranteFever’ veroorzaakten, winnen aan betekenis na (her)lezing van Kwellende liefde, dat alleen al daarom terecht is herdrukt. De vertaling van Manon Smits is schitterend. Neem deze zin over een scheldpartij in Napolitaans dialect: „Een lange waslijst woorden die op een medeklinker eindigden, alsof de eindklinker in een afgrond was gestort en de rest van het woord dof jankte van verdriet.”

De hoofdpersoon van Kwellende liefde probeert zich voor te stellen hoe haar Napolitaanse moeder zich na een leven van mishandeling in zee verdronk. In Muzenstraat en andere Haagse verhalen [4] beschrijft radiomaker Wim Noordhoek (1943) zijn eigen bijna-verdrinking tijdens een dagje aan het strand in de jaren vijftig. De inhoudsopgave van deze kleine en in alle opzichten fraai vormgegeven autobiografie lijkt op een bord in de tram waar de haltes op staan aangegeven, beginnend bij de Sportlaan en met de Muzenstraat als eindpunt. Maar er zijn ook haltes die ‘Tantes’ heten of ‘Portiekwoning’. Van jeugdsentiment of nostalgie heeft de auteur geen last. Zijn Haagse moeder vertelde hem ooit dat het doel in haar leven was: „Je vader ergernis besparen.” Ze was bang voor haar echtgenoot. Met weinig, maar goed gekozen woorden, roept Noordhoek de grauwe sfeer op van een geborneerd milieu in een bekrompen stad, waaruit hij zo gauw hij kon wegvluchtte.

    • Elsbeth Etty