Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Verkeersregelaar

Nadat ik op het parkeerterrein van Ikea was ingereden op een verkeersregelaar, trok ik ooit een paar dagen op met de beroepsgroep. Ik leerde dat de cursus verkeersregelaar drie dagen duurde, waarna je een lichtgevend uniform en veiligheidsschoenen mocht aantrekken en je een mobiele telefoon kreeg die je alleen mocht gebruiken bij een calamiteit.

Een mevrouw, ze had voor het beroep gekozen omdat het afwisselend werk was – „Ik ben bij alle evenementen in de stad betrokken” – liet haar arm zien.

Ze wees op een blauwe plek ter grootte van een ei die ze had opgelopen na een botsing met een autospiegel. Toen had ze dus haar telefoon gebruikt.

Ze zei: „Hulpverleners hebben het altijd gedaan.”

Daar hadden we dan toch een eerste meningsverschilletje te pakken. Ik vond verkeersregelaars geen hulpverleners, net zomin als stewards bij voetbalwedstrijden, want dat deed ze er ook nog bij. Een collega viel haar bij.

„Je helpt mensen in het verkeer, dan ben je dus een hulpverlener.”

Zij: „En een steward helpt mensen bij voetbalwedstrijden, dus.”

Toen de beroepstrots terzijde was geschoven, ging het over de agressie die het werk soms opriep. De conclusie was dat er in ieder mens een beest zat dat maar beter niet tevoorschijn kon komen. Eentje vertelde over die keer dat er een halfvolle fles cola naar zijn hoofd was geslingerd. De gooier had een gezin met drie kinderen. Het gevaar kon dus van iedereen komen, je kon het zien aan de ogen. Off the record werd gezegd dat ze sommige mensen soms maar gewoon doorlieten om problemen te voorkomen, ‘mogelijke gekken’ werden ze genoemd.

Gisteren zat er iemand dringend op me te wachten. Ik werd erheen gereden. Of gereden, we stonden vooral stil, de telefoon bleef gaan. We gingen stapvoets de snelweg af. We zagen het gebouw liggen, eromheen een stuk of twaalf verkeersregelaars, de oorzaak van alle kwaad. De eerste verkeersregelaar, druk bezig met het zetten van pionnen op het wegdek, liet me door en wees naar een collega die over de slagboom ging.

De fluorescerende reus, baas over de slagboom, monsterde de barcode van de parkeerkaart op mijn telefoon, constateerde dat ik die thuis uit had moeten printen en dirigeerde ons opnieuw de file in. Wat er in mijn hoofd knapte weet ik niet, maar hij deed zijn slagboom omhoog.

„We kunnen parkeren”, zei ik.

Ik zag dat mijn chauffeur zich schaamde voor hetgeen ik over het dashboard had gesputterd. Daar zat ik dan met mijn gelijk: vader van een kind van nul, gediagnosticeerd als ‘mogelijke gek’.

    • Marcel van Roosmalen