Vechtcultuur

Zelfs de plek, het Jonas Daniël Meijerplein, is eigenlijk verkeerd. Op dat plein werd namelijk niet gestaakt; daar vond de razzia plaats. 427 Joden werden er samengedreven om te worden afgevoerd naar de concentratiekampen. De razzia was wat aan de staking voorafging. Het neerleggen van het werk, het stoppen van de trams in bezettingstijd, vond elders in Amsterdam plaats. Toch is het altijd weer het Jonas Daniël Meijerplein waar de staking van 25 februari 1941 wordt herdacht. En in een welbeschouwd veel te gewijde, droevige sfeer.

Natuurlijk: op het Jonas Daniël Meijerplein staat het monument, De Dokwerker. Maar ook dat beeld drukt heel iets anders uit dan wat je altijd ziet bij de herdenkingen. De borst vooruit van De Dokwerker, zijn opgeheven kin en zijn handen die lijken te zeggen van: kom maar op als je durft — dat gevoel wordt bepaald niet opgeroepen als de burgemeester en tal van notabelen zich in een plechtige, sombere stoet naar het plein begeven.

In hun toespraken overheerst het slachtofferschap, het onrecht. Net 4 mei in het klein, denk ik dan, of een begrafenis in het groot. Het feit dat er van die razzia zoveel aangrijpende foto’s zijn, en van de staking nul, lijkt me geen reden om het passieve, het leed, de vervolging centraal te stellen, zoals ook nu weer gebeurt met die tentoonstelling op het J.D. Meijerplein. Daar zijn toch andere herdenkingen voor?

Het kan natuurlijk anders: met aandacht voor het opbeurende. In plaats van stil te staan in donkere pakken gaan we in een vrolijke optocht met zijn allen met de pont naar Amsterdam-Noord, waar de staking begon. Dansend en zingend over dapperheid en saamhorigheid varen we over het IJ. In Noord is een kermis bij de daarnaartoe verplaatste Dokwerker, een gezellige herrie is het er en iedereen is blij. Iedereen is ook vrij, want 25 februari is uiteraard een nationale feestdag. Dat heeft de enige massale opstand in Europa tegen de Jodenvervolging wel verdiend. Blijmoedig en trots herdenken we de moed van de vechtende Joden en van hen die het voor de Joden opnamen. We loven de communisten die de NSB’ers tartten. Jazeker, ook de communisten passeren de revue. Zeker in het rode Noord.

We jammeren niet, we juichen. We prijzen het verzet, de actie.

In toespraken wordt uitgebreid stilgestaan bij de vechtcultuur in de arme Joodse buurten in de jaren twintig en dertig. Kleurrijke verhalen worden opgedist van boksers, gewichtheffers en worstelaars: straatjongens die in de oorlog knokploegen vormden. Met alles wat hard en scherp was sloegen ze op de WA’ers in. Omdat Joden heus niet allemaal van die lekkertjes waren — of zijn.

De mensen zouden niet plichtmatig, maar geïnteresseerd naar al die verhalen luisteren. Want haast niemand kent zulke achtergronden. En ten slotte komt ook het bloed waarin de staking al na twee dagen werd gesmoord aan bod. Want zo was het.

Op deze manier zou het veel spannender en boeiender zijn om de Februaristaking te herdenken. En, als ik zo vrij mag zijn, inspirerender.