Liefde mét, niet vóór een vrouw

Uit zijn nu vertaalde, intieme dagboek blijkt dat de verbeelding van de stimulerende denker en bizarre modernist Gombrowicz behalve door het brein ook in sterke mate werd gedreven door lust en drift.

Voor de Poolse schrijver Witold Gombrowicz (1904-1969) was 2015 een bijzonder jaar. In Duitse vertaling verscheen zijn ‘intieme dagboek’ Kronos (waarvan twee jaar eerder het Poolse origineel was gepubliceerd), zijn laatste roman Kosmos werd verfilmd, en in Nederland kwam een stevige dundrukeditie uit van bijna al zijn verhalen en romans. Dat laatste was nodig ook, want anders dan in Frankrijk of Duitsland lag er van Gombrowicz, ooit het idool van menige schrijver rond het literaire tijdschrift De Revisor, geen enkele titel meer in de boekhandel.

Ik las Gombrowicz destijds met rode oortjes, en nu opnieuw. Zijn werk is zo eigenzinnig, zo apart en bizar dat de tijd er geen vat op heeft gekregen. Om dezelfde reden is het nog niet zo eenvoudig om te zeggen wat het precies te betekenen heeft. In zijn magistrale, voor het publiek bestemde Dagboek (waarvan jaren terug een gedeeltelijke herdruk verscheen) heeft Gombrowicz het zelf over zijn fascinatie voor, maar ook zijn verzet tegen de Vorm en over de gelijktijdige verleiding door het onrijpe, het lagere en het jeugdige – abstracties die in Kronos een wel zeer specifieke lading lijken te krijgen.

Dit alleen voor privégebruik bedoelde dagboek bevat een overzicht van Gombrowicz’ leven, chronologisch geordend per maand en jaar. Aan ontboezemingen en gemoedsuitstortingen doet de schrijver niet; de tekst bestaat meestal uit korte mededelingen, namen, trefwoorden, en aan het eind van elk jaar wordt de balans opgemaakt – ook in erotisch opzicht.

Dat Gombrowicz biseksueel was, wisten we al wel; in zijn Dagboek wordt meer dan eens gezinspeeld op homoseksuele avonturen, net als in de roman Trans-Atlantisch, maar hier zijn de bewijzen. Helaas zonder zinnenprikkelende details. Gombrowicz beperkt zich tot namen en getallen. Over 1955 noteert hij droogjes: ‘Erot: niet slecht, eerder rustig, 15’ – waarbij in het midden blijft of het cijfer slaat op het aantal partners of op het aantal erotische ontmoetingen.

Erotische activiteiten

Vóór de oorlog domineren de vrouwen, meestal aangeduid als ‘hoeren’ of ‘dienstmeisjes’, maar nadat hij in 1939 bij toeval in Argentinië terecht was gekomen, duiken er ook steeds meer namen van mannen op. In 1963 keerde Gombrowicz terug naar Europa. In Frankrijk leerde hij de mooie Canadese studente Rita Labrosse kennen. En dan lezen we: ‘Liefde met een vrouw voor het eerst sinds minstens 20 jaar’. Zelf spreekt hij van een ‘bekering’, al verminderen de erotische activiteiten daarna snel terwijl de astma oprukt en de gezondheid het laat afweten. Op 24 juli 1969 sterft Gombrowicz in het Zuid-Franse Vence, na kort daarvoor met Rita te zijn getrouwd.

Gombrowicz heeft het over liefde met een vrouw, niet voor – elders heeft hij zich meer dan eens uitgelaten over zijn ‘onvermogen’ om lief te hebben. De summiere aantekeningen in Kronos laten zien dat dit amoureuze tekort een actief seksleven niet in de weg stond. Moeten we de verleiding door het onrijpe, het lagere en het jeugdige vooral dáár zoeken?

Monsterlijke visie

Op grond van zijn romans heeft men Gombrowicz wel een teveel aan cerebraliteit verweten – dit dagboek suggereert dat zijn verbeelding behalve door het brein ook werd gedreven door lust en drift. Toen hij in het voorwoord bij zijn eerste verhalenbundel uit 1933 sprak over de ‘seksuele component’ van zijn ‘duistere, erotisch-zinnelijke en welhaast monsterlijke visie’ en dat met de tijdgeest verbond, bedoelde hij het dus ook heel persoonlijk.

Toch zou het onverstandig zijn om alles tot het persoonlijke te reduceren. Voor Gombrowicz is tegenstrijdigheid het wezen van de kunst en dat geldt ook hier. In de romans en verhalen wordt het persoonlijke getransformeerd tot iets universeels. Uit die romans en verhalen komt een complete levensbeschouwing naar voren, waarin de mens zichzelf vormt via zijn medemensen. Authenticiteit is uitgesloten; het zijn de anderen en onze reacties op hen die bepalen wat voor ‘smoel’ we krijgen, zoals het in Gombrowicz’ eerste roman Ferdydurke heet. We streven naar de volmaakte Vorm die bij ons past, maar onze intermenselijkheid maakt dat onmogelijk. Daarbij komt dat het volmaakte of absolute sinds de dood van God onbereikbaar is geworden. Het enige absolute aan de mens is zijn eindigheid en dat maakt hem ontvankelijk voor een ander streven, naar jeugd en naar de daarmee verbonden schoonheid. De mens wil god worden en hij wil jong zijn, zegt Gombrowicz. Beide wensen zijn onverenigbaar en dat stempelt ons tot hopeloos verdeelde, tragische wezens.

Met deze levensbeschouwing speelt Gombrowicz een onnavolgbaar grotesk en vaak zeer humoristisch spel. In zijn Dagboek mag hij zich ontpoppen als een onconventioneel en stimulerend denker, in de rest van zijn oeuvre is hij allereerst een schrijver, die op aanstekelijk wijze laat zien hoe de hang naar het hogere steeds op geniepige wijze wordt doorkruist door het lagere. Een aristocratisch ‘vastenmaal’ kan dan de trekken krijgen van een kannibalistisch ritueel, een onschuldige maagd zet met wellust haar tanden in een smerig bot. Een volwassen man van dertig verandert in een schooljongen, omdat iedereen hem zo behandelt. Twee oudere perverselingen trachten een jongen en een meisje seksueel aan elkaar te koppelen door hen medeplichtig te maken aan een moord. Een dubieus ‘zoonland’ blijkt aantrekkelijker dan een vermolmd vaderland.

Kerkdienst

Zodra iets zich voordoet als fatsoenlijk of normaal, doemt er prompt een even troebele als verleidelijke keerzijde op die alles dubbelzinnig maakt. Elke orde of Vorm is het product van moedwil en misverstand, maar zonder orde of Vorm gaat het niet. Prachtig wordt het onleefbare alternatief opgeroepen in de roman Pornografie als tijdens een kerkdienst het oneindige universum even door de vertrouwde aardse vormen heen breekt. Opeens speelt het leven zich niet meer in de kerk af, maar in een angstaanjagend heelal, ‘en daar, ergens in die onmetelijkheden, bedreven wij de wonderlijkste dingen met onszelf en elkaar, als apen die grimassen trekken in de leegte’.

Hoe willekeurig en toevallig de noodzakelijke orde uit de chaos tot stand komt, verbeeldt Gombrowicz in zijn laatste roman Kosmos. Met als uitgangspunt een opgehangen dode mus en de raadselachtige overeenkomst tussen twee vrouwenmonden ontstaat langzaam maar zeker een krankzinnig web van associaties, van symmetrie en poëzie: een imaginaire en tegelijk fatale ‘kosmos’. Maar dat Gombrowicz zijn verteller soms ook actief laat ingrijpen, benadrukt dat niet alles op toeval berust. Achter de schermen zijn – uiteraard – allerlei ‘lagere’, al dan niet erotische driften actief.

Kosmos lijkt een onverfilmbaar boek, aangezien het zich vooral afspeelt in de overspannen verbeelding van de verteller. Maar als iemand het zou kunnen, dan de Poolse regisseur Andrzej Zulawski. Van hem zag ik ooit L’important c’est d’aimer: een idioot melodrama omgetoverd tot een aangrijpende tragedie, met Romy Schneider in de vrouwelijke hoofdrol. Helaas is Zulawski’s nieuwe film nog niet in Nederland te zien. De roman Kosmos is er gelukkig wél, in één band verenigd met vrijwel alle andere romans en verhalen die Gombrowicz heeft geschreven. Dank aan zijn voortreffelijke vertaler Paul Beers en aan uitgeverij IJzer die deze volkomen ten onrechte bij ons in de vergetelheid geraakte modernist een nieuwe kans gunt.