iPhone-zaak tussen FBI en Apple wordt politiek

De juridische strijd tussen technologieconcern Apple en opsporingsdienst FBI lijkt nog lang te gaan duren. De ruzie, die draait om de vraag of Apple toegang moet geven tot een iPhone van een terrorismeverdachte, ging donderdag een nieuwe fase in. De FBI riep het Amerikaanse congres op om zich over de kwestie uit te laten. Eerder deze week vroeg Apple al om politieke bemoeienis. Met succes: het parlement buigt zich op 1 maart over de zaak.

Daarmee wordt de juridische strijd ook een politieke. De belangrijkste vraag is wanneer opsporingsdiensten toegang moeten krijgen tot privé-data van gebruikers, en in hoeverre technologiebedrijven daaraan mee moeten werken.

Dat is volgens Apple een principiële zaak die grote gevolgen kan hebben voor de privacy van gebruikers. De FBI zegt dat het geen toegang wil tot alle iPhones, maar alleen tot het toestel van een hele specifieke terreurverdachte: de vermeende dader van de recente aanslag in het Californische San Bernardino.

Een federale rechter besloot vorige week dat Apple moet meewerken met de FBI. Apple weigert dat, en krijgt daarbij steun van diverse technologiebedrijven zoals Twitter, Google en Yahoo. Het zou goed kunnen dat de zaak uiteindelijk belandt bij het Hooggerechtshof: Apple-topman Tim Cook zei eerder dat hij bereid is om de zaak tot op het hoogste niveau uit te vechten.