‘Ik hoef me niet meer elk concert te bewijzen’

Daniele Gatti (54) presenteerde gisteren zijn eerste seizoen als nieuwe chef van het Concertgebouworkest. Hij begint met Mahler en Bruckner. ‘Ik vind Bruckner moeilijk, ik heb zijn werk lang voor me uitgeschoven.’

Foto Marco Borggreve

Op YouTube staat een masterclass van Daniele Gatti. Hij neemt beginnende Italiaanse dirigenten aan de hand. Vaderlijk beweegt hij hun armen mee in de inzet van het Ruhevoll van Mahlers Vierde symfonie. „U drukt de klank terneer door zo schools de maat te slaan”, zegt Gatti. „Adem mee, het enige wat je dan hoeft te doen, is de musici met een geopende hand uit te nodigen. Je kunt zelfs gewoon stil blijven staan. Luisteren. Zó mooi! Ze spreken tegen je.”

Daniele Gatti (Milaan, 1961) staat bekend als een dirigent die technisch alles kan. Zijn slag? Onberispelijk en virtuoos. Veel concerten dirigeert hij uit het hoofd – óók de zeer gecompliceerde partituren. Zijn handelsmerk? Extremen. Heftige versnellingen, grote vertragingen in – wat je er ook van vindt – zeer eigen interpretaties. De reeks voorstellingen van Wagners Parsifal in Bayreuth onder zijn leiding, oogstte verbijstering door de traagheid ervan.

„In een rustig tempo hoor je het ritmisch skelet krachtiger en klinkt alles betekenisvoller”, zegt Gatti. „Waarom zou ik niet extreem zijn? Uiteindelijk wil je als kunstenaar herinnerd worden om je eigenheid, de risico’s die je durft te nemen, de deuren die je opent.”

Tussen het Koninklijk Concertgebouworkest en Daniele Gatti was het bij zijn debuut in 2004 „geen liefde op het eerste gezicht”, memoreert Jan Willem Loot, destijds orkestdirecteur. Gatti heeft twee gezichten. Hij is temperamentvol - in zijn eigen woorden: „gewoon een Zuid-Europeaan”. Maar, zegt Loot, Gatti is ook integer en aimabel. En zijn eerste concerten met het Concertgebouworkest oogstten juichende kritieken. Sindsdien kwam hij jaarlijks. Toen het Concertgebouworkest, internationaal vermaard als hét Mahler-orkest, hem in 2010 uitnodigde Mahlers Vijfde symfonie te dirigeren, was dat een sleutelmoment, zegt Gatti – met ogen die nog gaan vlammen. „Natuurlijk wilde ik al die tijd al niets liever. Maar ik was te trots om er zelf om te vragen.”

De rest is orkestgeschiedenis. Chef-dirigent Mariss Jansons nam onder invloed van zijn broze gezondheidstoestand in 2014 afscheid. In oktober 2014 kwam, eerder dan wie ook verwacht had, het nieuws van zijn benoeming tot de nieuwe chef-dirigent. De voortvarendheid van de adviescommissie viel uiteraard niet bij het hele orkest in goede aarde. Een aantal musici eisten een anonieme stemming. Gatti haalde die meerderheid, met welk percentage blijft geheim.

De zevende Amsterdamse chef is, na Riccardo Chailly, de tweede Milanees. Hij heeft er nog steeds een huis, vertelt Daniele Gatti in Parijs, waar hij sinds 2008 chef-dirigent is van het Orchestre National de France, een radio-orkest. Van de Franse omroep naar het Amsterdamse Concertgebouw geldt in de internationale orkestwereld als een stevige promotie.

Gatti naar het Concertgebouw?

In de internationale pers werd soms verbaasd gereageerd: Gatti naar het Concertgebouw? Gatti zelf doet, innemend oprecht, geen enkele poging zijn vreugde te maskeren. „De timing is optimaal”, zegt hij bij een lunch van zalm, heilbot en garnalen met, vooruit dan, één glas Chablis. „Ik ben 53, het voelt voor mij na dertig jaar dirigeren alsof hiermee de tweede helft van mijn werkzame leven begint. Ik ga het nu een jaar of drie, vier rustig aandoen naast de veertien weken die ik per seizoen minimaal voor het Concertgebouworkest zal staan. Ik vind oprecht dat heel veel in het muziekleven te snel gaat. Ik ben blij dat het me nu gebeurt en niet twintig jaar geleden, toen ik elk concert nog opvatte als een kans om mezelf te bewijzen.”

Hij hoopt op een appartementje aan het Vondelpark; vriendin Camille en de hond blijven in Parijs.

Daniele Gatti is de zoon van een zingende bankemployee. Zijn ouders zijn inmiddels overleden, zijn kinderwens bleef onvervuld en het huwelijk met celliste Silvia Chiesa strandde.

Bij de piano en het zelf componeren, liggen de wortels van zijn voorkeur voor het dirigeren zonder partituur. „Al vanaf mijn tiende speelde ik op de piano alles het liefst uit mijn hoofd. Ik zie pagina’s voor me, zeker, maar ik hoor de muziek ook in mijn hoofd. Via mijn hoofd gaat het in mijn bloed zitten. Ik ervaar een diepe verbondenheid met de muziek als ik geen papier voor mijn neus heb.”

Maar er zijn ook nadelen, erkent hij. „Eén: de pers memoreert vooral je virtuositeit, niet de aard van je interpretatie. Twee: men denkt dat het ijdeltuiterij is. Daarom ben ik er een tijd helemaal mee gestopt en probeer ik het nu te doseren.”

Opvallend: in de eerste twee weken van zijn eerste seizoen bijt Gatti zich vast in Mahler (Symfonie nr. 2) en Bruckner (Symfonie nr. 4). In juni, de staart van het seizoen, volgt Strauss’ opera Salome bij De Nationale Opera. De nadruk op traditioneel Amsterdams kernrepertoire is bewust, zegt hij. „Juist bij een wisseling van de dirigentenwacht moet de focus van een orkest heel helder zijn. Mahler, Bruckner, Strauss en Brahms zijn Concertgebouworkesterfgoed. Ook in het buitenland wil men het orkest liefst daarin horen. Dat moeten we respecteren. Maar niet klakkeloos. Ook op tournee is het voor iedereen – publiek én musici – goed ook een tweede programma te brengen. Als het maar muziek is die spreekt tot mijn hart. Anders kan ik het publiek niet raken. Concerten zijn toch een soort spirituele maaltijden.”

Vraag Gatti om de componisten die wél zijn goden zijn en de zucht is niet eens zo diep. Bach, zegt hij dan meteen. En Beethoven, Wagner en Verdi. „Bij hen kom ik steeds terug, ik blijf maar boeken lezen over hun levens. Bij Verdi is het natuurlijk ook de onderwerpkeuze die me blijft boeien, de algemeen menselijke dilemma’s. Vaders en zonen, bedrog, liefde – het zijn altijd problemen die je zelf ook zou kunnen hebben.”

Voor Mahler is Gatti na het sleutelmoment met de Vijfde nog veel teruggeweest. Naar zijn blik op de Tweede in september wordt dus uitgezien zonder zorg, wat niet geldt voor de Vierde symfonie van Bruckner. Want een ervaren Bruckner-dirigent is Gatti niet. „Ik vind Bruckner ook moeilijk, ik heb zijn werk lang voor me uitgeschoven”, knikt hij. „Een goede Bruckner-uitvoering tilt je op. Maar dat lukt alleen als je recht doet aan de weidsheid van de muziek, die in direct verband staat met de religieuze boodschap. Daarin schuilt ook meteen mijn ongemakkelijkheid. Mahler vertelt in zijn symfonieën een verhaal. Je volgt de held in alle denkbare spectra tussen hemel en aarde, in alle emotionele uitersten. Het is muziek die je kunt aanraken. Bruckner niet. Zijn muziek speelt zich af in een soort kosmische superdimensie. Ik verwacht dat mijn Bruckners met het Concertgebouworkest een laboratorium zullen zijn op zoek naar die sensatie. Het laatste is er hoe dan ook nog niet over gezegd.”Vrijheid. Ervaring. Waardigheid. Het zijn thema’s die bij Gatti steeds opnieuw ter sprake komen. Bijvoorbeeld in relatie tot zijn zeer eigenzinnige interpretaties. „Ik voel me totaal vrij”, zegt hij daarover. „Een dirigent is meer dan de brug tussen de muziek en het publiek. Bruckner liet soms wel vier versies achter van zijn symfonieën. Van Mahler is ook bekend dat hij dingen open liet. Hoe kunnen wij, nu het wezen aanvoelen van muziek die werd geschreven bij een olielamp, in een tijd van koetsjes? Van muziek die is opgeweld uit een totaal ander levensgevoel? Ik erger me altijd dood wanneer termen als ‘energiek’ of ‘dynamisch’ worden gebruikt om dirigenten mee aan te prijzen. Wat helpen mij energie en dynamiek in het Adagio van Bruckner 9? Dat is gewoon bullshit. Onze tijd is snel, maar het wezen van veel klassieke muziek niet. Dus als mensen mijn uitvoeringen te langzaam vinden, denk ik: wie ben jij? God?”

Luide keelgeluiden

Gatti’s weg naar het klinkend evenbeeld van zijn innerlijke voorstelling is geplaveid met grote gebaren en veel luide keelgeluiden. Gatti schaamt zich er niet voor. „Zingen is voor mij natuurlijk. Dat heeft niet zozeer met mijn Italiaanse achtergrond of mijn liefde voor opera te maken als wel met het feit dat ik alle muziek zie als een verhaal dat verteld moet worden.”

In de twaalf jaar tussen Gatti’s debuut en zijn aantreden als chef wisselde het Concertgebouworkest ingrijpend van bezetting: veertig procent werd in de afgelopen tien jaar vernieuwd. „Dat hoor je ook. Maar de oude garde heeft zijn geheimen overgedragen, en de jongeren ervaar ik als zeer enthousiast. Ik vind het een verandering ten goede. Als ik nu voor het orkest sta, wordt er meer naar me gekeken, meer bewogen, het orkest is als geheel meer betrokken en minder stijf. En de klank van de strijkers is warmer geworden, ze spreken meer. Doet dat dan af aan de unieke Concertgebouwklank? ‘Klank’ is een begrip dat vaak in zeer oppervlakkige zin wordt gebruikt. Elke componist heeft zijn eigen geluid nodig, dus moeten we de ‘klank’ van het orkest sowieso voortdurend manipuleren.”

Chef worden van een orkest is een avontuur dat je zelf moet aangaan, vindt Gatti. „Maar ik land vorstelijk. Dit is geen orkest dat opgebouwd moet worden. Anderzijds ben ik ook niet naïef. De overgang zal óók moeilijk zijn, want elke relatie heeft moeilijke momenten. Maar als we allemaal vanuit ons hart muziek maken en streven naar hetzelfde – musiceren op topniveau en nieuwe ideeën brengen – dan zal het blijven bij productieve meningsverschillen, die je ook in een bar kunt oplossen.”

    • Mischa Spel