‘Droevighen catastrophe’

China wist het lucratieve VOC-wingewest Formosa te veroveren. Hoe dramatisch zich dat voltrok vertellen drie nieuwe boeken.

Ingekleurde gravure (ca. 1670) van Fort Zeelandia, VOC-hoofdkwartier op Formosa Illustratie Wikimedia Commons

Frederik Coyett, een geboren Zweed, doorliep een glansrijke carrière bij de VOC. Hij diende als opperkoopman, klom op tot raad van Indië, werd hoogste chef op Deshima en vervolgens op Formosa (nu Taiwan). Hij had gouverneur-generaal in Batavia kunnen worden, maar het lot beschikte anders. In 1662, na een lang beleg, moest hij fort Zeelandia op Formosa overgeven aan de Chinese krijgsheer en piraat Zheng Chenggong, bij de Nederlanders beter bekend onder de naam Koxinga. Coyett werd ervan beschuldigd geheel onnodig te hebben gecapituleerd en kreeg na een proces in Batavia de doodstraf. Die straf werd omgezet in verbanning naar een Moluks eilandje. Twaalf jaar later mocht hij terugkeren naar Nederland.

Taiwan is vaak wereldnieuws, maar dat het eiland zo’n veertig jaar lang een Nederlandse kolonie was staat weinigen voor de geest. Die geschiedenis is toegankelijk gemaakt dankzij een project van Leidse historici die de Daghregisters hebben uitgegeven, de dagelijkse verslaglegging van het VOC-bewind. Omdat deze bronnen in het Engels zijn vertaald, kunnen ook buitenlanders er gebruik van maken, zowel historici als fictieschrijvers, zoals blijkt uit drie nieuwe boeken. Het boek van de de Amerikaanse historicus Tonio Andrade, De val van Formosa, met Coyett en Koxinga in de hoofdrollen, is daarvan het belangrijkste voorbeeld.

Hertenhuiden

Formosa vormde al eeuwen de schakel in de handel tussen China en Japan. China leverde zijde en porselein en uit Japan kwam zilver waaraan in China grote behoefte was. Een specifiek exportproduct van Formosa vormden de hertenhuiden. Japanners verwerkten die in wapenrustingen van de samoerai. Vanaf 1624 veroverde de VOC op Formosa een cruciale plaats in deze handel.

Een burgeroorlog in China maakte daar echter een einde aan. Daarna ging de Compagnie over op de aanleg van suikerrietplantages en rijstvelden waarop Chinese kolonisten kwamen te werken. De opbrengst en hoge belastingen maakten Formosa tot een van de belangrijkste wingewesten van de VOC. Het eiland werd een kolonie, compleet met een bestuurlijke, juridische en kerkelijke infrastructuur. In het grote fort Zeelandia vestigde zich het bestuursapparaat.

Dat het oog van Koxinga op het lucratieve Formosa viel was geen wonder. Deze half Japanse, half Chinese krachtpatser, een intelligente, maar onberekenbare zo niet psychopathische figuur, was de Nederlanders aanvankelijk goedgezind, maar viel desondanks VOC-schepen aan, bleek bij onderhandelingen niet geheel betrouwbaar en eiste in 1661 Formosa op. En hier zijn we beland bij Andrades boek, De val van Formosa.

Andrade reconstrueerde minutieus de gebeurtenissen vanaf het moment dat Koxinga het beleg voor Zeelandia sloeg tot de uiteindelijke overgave, negen maanden later. Hij schrijft vooral een militaire geschiedenis waarin geen gruwelijk detail buiten beschouwing wordt gelaten. Te land en ter zee vliegen de kogels en kartetsen je om de oren; zwaarden kletteren en hellebaarden flitsen. Aan afgehouwen handen, hoofden, oren en neuzen is geen gebrek. De wederzijdse spionnen en overlopers, die al of niet na foltering geloofd, gewantrouwd of vermoord werden, komen zeer nabij.

Maar het gaat Andrade niet alleen om de reconstructie van deze gebeurtenissen. Hij plaatst het hele krijgsgebeuren in een ruimer kader, namelijk binnen de controverse over de vraag of het vroeg-moderne Europa een technologische voorsprong op Azië bezat of niet. En of de Europese overzeese suprematie op vele plaatsen daar een bewijs van kan leveren. Een rol hierin speelt de theorie van de militaire revolutie, die op drie Europese vindingen wijst die doorslaggevend zouden zijn geweest: de kracht en precisie van vuurwapens, de superioriteit van de westerse schepen in bewapening, snelheid en wendbaarheid, en de ver doorgevoerde theorie en praktijk van de vestingbouw. Daarbij ging het om met mathematische precisie ontworpen forten en vestingen, waarop elke aanval stukliep omdat de aanvallers ontvangen werden met kruisvuur vanuit diverse posities in het fort.

Voor Andrade is de val van Formosa een casus om die theorie te toetsen. Hij behandelt de bewapening en de verdediging van beide partijen en laat de lezer meekijken in de hoofden van Coyett en Koxinga. Hij leidt ons langs de bastions en soldatenverblijven van Zeelandia en biedt een blik op de zwaar bepantserde Chinese troepen. Coyett zit vast in Zeelandia met 1200, deels zieke soldaten, met op roepafstand 25.000 Chinezen.

Getreuzel

Het fort is onneembaar en als er ook nog een vloot van Nederlandse schepen arriveert, lijkt de redding nabij. Maar onhandige beslissingen, getreuzel, schepen die vastlopen, omslaande winden, ruzie in de opperste leiding doen de kansen verglijden. Honger en ziekte heersen in het fort. Koxinga wordt ongeduldig. Een belegering is kostbaar. Troepen eisen betaling, er moet voldoende voedsel zijn. Hij barst, volgens Chinese bronnen, uit elkaar van woede omdat hij die Europeanen niet klein krijgt – ondanks de wijze lessen uit de Chinese klassieker De kunst van het oorlogvoeren, van Sun Ziu, waaruit Andrade geregeld citeert. Dan, na negen maanden, heeft Koxinga geluk. Een overloper wijst op een zwakke plek, een vooruitgeschoven versterking die relatief gemakkelijk plat te schieten zou zijn. Als Koxinga daar nu al zijn vuurkracht op richt, dan zou het snel zijn afgelopen. Inderdaad, het werkt en Coyett moet op 1 februari 1662 de overgave tekenen. Zijn manschappen krijgen een vrije aftocht.

Andrade maakt de balans op. Nee, de vuurkracht van de Nederlanders was niet per definitie superieur aan die van de Chinezen. Wel konden de westerse schepen gewicht in de schaal leggen, maar door misverstanden, zandbanken, stormen of windstiltes, en voltreffers van de vijand gaf ook dat niet altijd de doorslag. En ja, dat fort was onneembaar. Zoiets kenden de Chinezen niet en ze konden er niets tegen uitrichten. De Nederlanders hadden best de overwinning kunnen behalen. Dat Koxinga Zeelandia toch innam, lukte uiteindelijk dankzij verraad. Andrade sluit af met een waarschuwing: wees voorzichtig met de theorie. Er is nog altijd zoiets als gebrekkig leiderschap, verkeerde keuzes, een fatale overloper en niet te vergeten: omslaand weer dat de krijgskansen doet keren.

Hoe liep het af met de twee krijgsheren? Koxinga overleefde zijn victorie slechts een paar maanden. Hij liet de Nederlanders gaan, vierde zijn overwinning, maar ging nog datzelfde jaar schreeuwend en schuimbekkend ten onder. Syfilis luidt een verklaring.

Frederik Coyett keerde na zijn ballingschap terug naar Europa. Hij vestigde zich in Amsterdam en schreef een boek waarin hij zich vrijpleitte van de VOC-beschuldigingen: ’t Verwaerloosde Formosa. Na zijn dood werd hij begraven in de Westerkerk.

Roman

De tragedie van Formosa heeft ook fictieschrijvers aangesproken. Joyce Bergvelt, een Nederlandse die zowel in Japan als in Taiwan heeft gewoond, gebruikte het historisch materiaal voor haar tamelijk uitgesponnen roman Formosa, voorgoed verloren. Waar Andrade een mannelijk perspectief hanteert, gefascineerd als hij is door krijgshandelingen en kanongebulder, geeft Bergvelt veel meer aandacht aan de vrouwelijke kant. Dat begint al bij de kleine Koxinga in Japan met zijn liefhebbende moeder en vanaf zijn zevende met zijn Chinese grootmoeder, een berekenende heks. Om maar niet te spreken van de vele concubines en de door Koxinga links en rechts gegrepen dienstmeisjes.

Bergvelt heeft de hele tragedie beeldend beschreven, al is ze soms in de dialogen wat te uitleggerig en staan er kleinere onjuistheden in. De Nederlandse predikanten waren geen missionarissen maar zendelingen, de Nederlanders voeren niet op ‘clippers’, en op VOC-schepen kon je in die tijd geen telescopen aantreffen.

Kort voor de overgave van fort Zeelandia namen Koxinga’s troepen enkele Nederlanders gevangen. Van hen liet hij vier predikanten op gruwelijke wijze ter dood brengen. Onder hen bevond zich ene Arnoldus Winsemius. Oud-minister Pieter Winsemius deed onderzoek naar de levensloop van dit verre familielid en schreef er geen biografie over, maar een (gefingeerd) dagboek. Een vorm die mogelijk is ingegeven door didactische motieven.

We volgen Arnoldus vanaf zijn kinderjaren in Leiden tot zijn opleiding in Amsterdam en zijn overtocht in 1655 naar de Oost met vrouw en kind. Op Formosa zou hij de oorspronkelijke bewoners nader tot de Heer brengen. Hij had zelfs hun taal geleerd. Dominee Winsemius is een brave borst en doet zijn best om zijn toehoorders van hun bijgeloof en veelwijverij af te houden. In zijn ‘dagboek’ noteert hij de Chinese dreiging, de belegering en verder veel dagelijkse ditjes en datjes, doop, huwelijk en heel veel sterfte. Ook zijn vrouw en twee kleine kinderen sterven er. En dan volgt de belegering door Koxinga, dat volgens een echt dagboek, namelijk de verslagen van de kerkenraad, ‘een droevighen catastrophe’ vormde waar men niet ‘sonder tranen en sieldruckende beweghingen’ over kon schrijven. In september 1661 eindigt Winsemius’ fictionele dagboek vlak voor hij, 27 jaar oud, wordt vermoord. Ondanks de naïeve stijl is het een sympathiek boek over deze goedwillende dominee.

Koxinga liet niet alleen Arnoldus Winsemius martelen en executeren, ook drie collega’s ondergingen op dezelfde dag dit lot. Een van hen heette Antonius Hambroeck. Hij had zich als gezant opgeofferd om vanuit Zeelandia naar Koxinga’s kamp te gaan voor overleg. Dat werd hem fataal, maar de herinnering aan zijn moedig optreden bleef nog lang levend. In de 18de eeuw werd een toneelstuk aan hem gewijd en in 1810 maakte de historieschilder J.W. Pieneman een dramatisch schilderij van zijn afscheid. Het doek is eigendom van het Rijksmuseum en staat afgebeeld in een vierde boek waarin de val van Formosa een rol speelt: Zijden Draad. Het boek is het derde uit een mooie, door het Rijksmuseum opgezette serie. Daarin behandelen conservatoren aan de hand van de collectie de historische banden met voormalige koloniën en handelsposten. Op Pienemans schilderij zien we hoe Hambroeck heroïsch fort Zeelandia verlaat, bejammerd door in een soort empire gewaden en ander flapperend textiel gehulde omstanders. Een dramatische klaroenstoot aan het begin van een nieuwe fase van nationale heldenverering.

    • Roelof van Gelder