De oorlog als motivatie

Beiden waren oorlogskinderen, beiden gingen de politiek in. De een schreef een logboek. En over de ander verscheen een biografie

De één was tien jaar toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, de ander negen: Arie Pais en Jan Terlouw. Pais, afkomstig uit een joods milieu, zat ondergedoken in Barneveld, domineeszoon Terlouw beleefde de bezetting in Wezep. Beiden waren hyperintelligente jongens die in de oorlogsjaren op alle manieren door gingen met kennis vergaren.

De één werd econoom, de ander natuurkundige. Beiden gingen ze in de jaren zestig de gemeentepolitiek in, beiden werden ze minister. Arie Pais van 1977 tot 1981 van Onderwijs, Jan Terlouw van 1981 tot 1982 Economische Zaken. Het zijn nu vitale tachtigers. Over alle twee verscheen deze maand een boek. Arie Pais publiceerde zijn memoires onder de noemer logboek. De geschiedenis van Jan Terlouw werd opgetekend in een door Joep Boerboom geschreven biografie.

De tegenwoordig zo voorbije Tweede Wereldoorlog bepaalde hun verdere leven. Hoe vormend die oorlogsjaren waren is vooral in het boek van Arie Pais te lezen. ‘Er was een moordaanslag op mijn ouders, mijn zuster en mij beraamd’, schrijft hij. Pais ordende zijn gedachten tijdens de ‘zolderwandelingen’ op zijn onderduikadres in Barneveld. Na de oorlog voelde hij zich overlever. Jan Terlouw maakte bombardementen mee, zag in de hongerwinter mensen op zoek naar eten langs zich heen trekken. Toen de oorlog voorbij was moest hij ‘opnieuw weer kind worden’, schrijft zijn biograaf.

Tijd om te verwerken wat er was gebeurd hadden de oorlogskinderen niet. Het leven ging door, school moest worden ingehaald. Het terugkijken begon bij Jan Terlouw pas toen zijn kinderen de leeftijd hadden van hem in de oorlog. Hij verwerkte zijn herinneringen in het in 1972 verschenen jeugdboek Oorlogswinter . Het werd een bestseller. Sinds deze week is Oorlogswinter in het kader van een promotieactie om kinderen weer aan het lezen te krijgen voor één euro verkrijgbaar. Het verhaal over de 16-jarige jongen die bij toeval bij het verzet betrokken raakt is voor een deel het verhaal van Terlouw zelf. ‘Mijn meest authentieke boek’, zei hij.

D66-fractie

Het boek kwam vlak voor Terlouws doorbraak in de landelijke politiek uit. In 1971 was hij in de Tweede Kamer gekozen en maakte daar deel uit van de elfkoppige D66-fractie onder leiding van Hans van Mierlo. Bij de vervroegde verkiezingen die een jaar later volgden ging D66 terug naar zes zetels. Terlouw kwam ternauwernood in de Kamer. D66 kon vervolgens weliswaar meeregeren in het kabinet Den Uyl, maar de sfeer in de fractie werd er niet beter door. Toen Van Mierlo na de beëdiging van dat kabinet Terlouw voorstelde om vice-fractievoorzitter te worden stelde deze een koerswijziging voor. Minder staatkundige vernieuwing, meer afstand tot het toen net begonnen kabinet Den Uyl. Van Mierlo was tegen, maar bleek alleen te staan in de fractie. Gedesillusioneerd droeg hij de leiding over aan Jan Terlouw.

Later zou blijken dat hiermee de ideale schoonzoon was geboren. In 1981 wist Jan Terlouw als lijsttrekker bij de verkiezingen het zetelaantal van D66 ruim te verdubbelen tot zeventien zetels. Terlouw werd samen met Den Uyl vice-premier in het ‘rampkabinet’ Van Agt dat al na acht maanden zou stranden. Terlouw, tevens minister van Economische Zaken betaalde een forse prijs. D66 kelderde bij de vervroegde verkiezingen naar zes zetels.

Over die turbulente opkomst en ondergang schreef Terlouw destijds een verbeten dagboek vol verwijten aan anderen. Onbewust legde hij daarmee zijn gebrek aan incasseringsvermogen bloot. Het is jammer dat Boerboom deze eigenschap niet verder heeft onderzocht om daarmee de persoon Terlouw meer te duiden. Want dat is het manco van het boek: tot in detail wordt de levensloop beschreven zonder dat op enig moment een echt beeld van de natuurkundige-politicus-schrijver ontstaat.

Ik-vorm

Dat beeld is juist wel heel erg aanwezig in Omkijken, het logboek van Arie Pais. Niet verwonderlijk, als de ik-vorm wordt gehanteerd, hoewel er voldoende memoires bestaan die niets onthullen over het wezen van de hoofdpersoon. Het grote publiek maakte met Pais kennis toen hij in 1977 minister van Onderwijs werd in het kabinet Van Agt-Wiegel. Hij was in het begin vooral de opvolger van Jos van Kemenade uit het kabinet Den Uyl die de gewenste spreiding van kennis door middel van de middenschool wilde bewerkstelligen. Pais beschrijft in zijn boek subtiel hoe hij met zijn voorganger in contact probeerde te komen. Toen de afspraak er eindelijk was moest hij de woorden uit Van Kemenades mond trekken. Hij maakte een ‘wonderlijk afwezige indruk’, schrijft Pais. ‘Tijdverspilling dus’. Het zijn deze concluderende dodelijke zinnetjes die het lezen van Pais’ logboek tot zo’n genot maken.

Jan Terlouw en Arie Pais: generatiegenoten die elk op hun manier de politiek ingingen. De boeken beschrijven werelden van verschil. Behalve de ervaringen uit de oorlog dan. Dat was de motivatie voor hun handelen. Motivatie die tegenwoordig zo ver weg lijkt.