De beste uitvinders laten zich zelden sturen

NRC vindt: Het is geen toeval dat het innovatiebeleid een impuls krijgt na elke recessie.

In zijn roman Het eiland van de vorige dag (1994) beschrijft de vorige week overleden Italiaanse schrijver Umberto Eco de zoektocht naar het bepalen van de juiste lengtegraad op zee. Diverse Europese mogendheden, waaronder ook Nederland, schreven vanaf de zestiende eeuw prijsvragen uit voor een oplossing, die de navigatie van schepen – en de maritieme macht van het land van herkomst – een enorme sprong zou doen maken. De Britse prijsvraag leverde onder meer een klok op die het stampen en slingeren van een schip doorstond.

Twee jaar geleden werd de Britse Longitude Prize nieuw leven ingeblazen. Om een paar opdrachten te noemen: ontwerp een vrijwel milieuneutraal vliegtuig dat van Londen naar Edinburgh kan vliegen, bedenk een goedkope, makkelijke en accurate manier om bacteriële infecties te meten, en daarmee het oneigenlijke gebruik van antibiotica tegen te gaan. Of vind een manier uit om mensen met een verlamming toch te laten bewegen.

De prijsvraag is een vorm van innovatiebeleid die het Centraal Planbureau (CPB) voorstelt in de donderdag gepubliceerde studie Kansrijk innovatiebeleid naar de effectiviteit van het huidige innovatiebeleid van de Nederlandse overheid.

Over de huidige aanpak is het CPB terecht kritisch. Een baaierd aan subsidies en specifieke belastingvoordelen kost miljarden per jaar, maar de opbrengsten ervan zijn hoogst onduidelijk. Grote bedrijven weten de weg in dit doolhof beduidend makkelijker te vinden dan kleine ondernemingen. En vaak wordt werk beloond dat verre van baanbrekend is. Ook het benoemen van negen ‘topsectoren’ heeft nadelen: de veroudering van dat concept treedt in werking op de dag nadat het is ingevoerd. Een passend voorbeeld zijn drones: met de opkomst van die technologie was jaren geleden geen rekening gehouden.

Innovatiebeleid wordt sinds jaar en dag heen en weer geslingerd tussen enerzijds de overtuiging dat het niet aan de overheid is om te bepalen wat innovatief is en wat niet, en anderzijds de gevoelde noodzaak om toch iets te doen. Het is geen toeval dat het beleid telkens na een recessie een nieuwe impuls krijgt.

Generieke maatregelen verdienen, zeker na lezing van het CPB-rapport, nog steeds de voorkeur: een ondernemingsvriendelijk klimaat en een hoog niveau van onderwijs en wetenschap. Dat is de vruchtbare grond waaruit van alles kan en mag opbloeien.

Dat betekent niet dat er geen ruimte is voor andere initiatieven. Prijsvragen zijn, met name in de Angelsaksische landen, een manier om de vraag naar innovatie te sturen in de richting van maatschappelijk wenselijke toepassingen.

Voor het overige leert een blik op de recente geschiedenis dat innovatiebeleid van overheidswege doorgaans veel geschreeuw oplevert en weinig wol. Het Innovatieplatform van voormalig premier Balkenende mag hier gelden als een voorbeeld van hoe het niet moet. De miljarden aan fiscale voordelen en subsidies waarover het CPB zich nu kritisch toont, kunnen anders worden aangewend. Maar dat de overheid innovatie kan sturen, wordt door in het verleden behaalde resultaten nauwelijks gerechtvaardigd.