Wegwerphuis voor de eeuwigheid

In 1930 bouwde Theo van Doesburg buiten Parijs een huis volgens de Stijl-kenmerken. Het onlangs gerestaureerde atelier moet weer plek gaan bieden aan kunstenaars.

Boven: Glas-in-loodraam in het pas gerestaureerde Van Doesburghuis in Meudon Onder: Archieffoto's van het Van Doesburghuis in de jaren dertig Foto’s Jean-Michel Bale / RKD – Nederlands Instituut voor Kunstgeschiedenis, Den Haag

Een spectaculaire straat is de rue Charles Infroit in Meudon-Val-Fleury niet bepaald. Wie vanaf het stationnetje waar de RER vanuit Parijs halt houdt steil omhoog loopt, passeert ongeïnspireerde villa’s, saaie flats en het piscine municipale. Je moet echt weten dat hier, net na dat zwembad op nummer 29, het enige huis ligt dat schilder, schrijver en De Stijl-theoreticus Theo van Doesburg niet alleen ontwierp maar eind jaren twintig ook daadwerkelijk liet bouwen.

Zijn witgepleisterde ‘atelierwoning’ met gele garage, blauwe voordeur en rode terrasdeur op het platte dak is „de bijna-perfecte synthese van een minimalistisch architecturaal ontwerp”, meldt een discreet bordje van de gemeente op de stoep. Zelf heeft Van Doesburg het sobere huis van twee in elkaar geschoven kubussen nauwelijks bewoond: twee maanden nadat hij er met zijn vrouw Nelly in december 1930 introk, overleed hij in Davos, waar hij zich had laten behandelen voor astma.

Na Nelly’s overlijden in 1975 heeft haar erfgename, kunsthistorica Wies van Moorsel, het geschonken aan de Nederlandse staat om, zoals Van Doesburg het ooit bedoelde, kunstenaars uit verschillende disciplines erin te laten werken. Dat heeft sinds 1983 tot verblijven geleid van schrijvers als K. Schippers en Hugo Brandt Corstius, kunstenaars als Emo Verkerk en componist Elmer Schönberger.

Maar begin 2014 pakte de laatste artist-in-residence zijn koffers. Het huis moest grondig worden gerestaureerd. En omdat door het intrekken van de subsidies aan het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst (BKVB) de financiering van de tijdelijke kunstenaarshuisvesting verviel, zint de stichting die het huis beheert nu op een iets andere invulling.

Eerst die restauratie. Dat is een iedere acht à tien jaar terugkerend proces, zegt architect Hubert-Jan Henket, die jarenlang voorzitter was van de Stichting het Van Doesburghuis. De buitengevels zijn gemaakt van een betonnen draagconstructie, opgevuld met zogenoemd ‘Solomite’: geperste stroplaten die ook Le Corbusier nog heeft gebruikt. Het is naar huidige maatstaven een nogal onpraktisch bouwmateriaal dat tot structurele vochtproblemen leidt. Het is in feite een „wegwerpgebouw”, lacht Henket. „Als intellectueel en kunstenaar van zijn tijd wilde Van Doesburg de wereld veranderen en innoveren: wat uit het verleden kwam was niet goed. Andersom wilde hij toekomstige generaties niet met zijn verzinsels belasten. Duurzaam bouwen was dus niet aan de orde.”

Het huis, waarvoor Van Doesburg destijds bouwkundige hulp kreeg van de jonge architect Abraham Elzas, was voor de korte termijn, net als bijvoorbeeld Jan Duikers sanatorium Zonnestraal in Hilversum of het Rietveld-Schröderhuis in Utrecht. „Het is een interessante paradox dat wij die wegwerpgebouwen zo belangrijk vinden dat we ze voor de eeuwigheid willen bewaren”, zegt Henket. „Maar anders dan bij het Rietveldhuis hebben wij naderhand niet gekozen voor meer duurzame veranderingen. We moeten zoveel mogelijk vasthouden aan het oorspronkelijke ontwerp.” En dat maakt het huis kwetsbaar.

„Het Van Doesburghuis is eenvoudiger dan het Rietveld-Schröderhuis, zoveel geld had hij nu eenmaal niet”, zegt kunsthistorica Gladys Fabre, curator van de vandaag over Van Doesburg geopende tentoonstelling in het Brusselse Bozar. „Maar met zijn rechthoekige vormen, de werking van het licht als deel van de architectuur en typische Stijl-kenmerken in elementaire kleuren”, zegt ze, „is het een geslaagd resultaat van zijn totaalvisie.”

Die Stijl-kenmerken zijn bijvoorbeeld een bijzonder glas-in-loodraam in rood, blauw en geel (of eigenlijk oranje, mogelijk omdat dat goedkoper was) boven een van de leefruimtes in de voorste kubus. Net als in het Rietveld-Schröderhuis zijn er roterende panelen waarmee twee kamers en een deel van de gang ingenieus tot een grotere nieuwe ruimte getransformeerd kunnen worden. In het huis staan drie geïntegreerde betonnen tafels: een grote middenin het atelier aan de achterzijde op de eerste etage, een kleinere in de werkkamer en nog een in de keuken op de begane grond.

„Alle architectonische elementen zijn geordend ten dienste van een spirituele, esthetische ervaring, ten koste van het fysiek en sociaal functionele”, schrijft Van Doesburg-biograaf Evert van Straaten in een boekje dat de stichting in 2004 uitgaf. „Zo bezien is dit huis een apotheose van de (zo goed als niet bestaande) architectuur van De Stijl.” Maar in een idee is het niet altijd makkelijk wonen of werken. „Het begint met fascinatie”, schrijft Henket, „dan groeit langzaamaan verzet tegen de spartaanse en minimalistische eigenschappen.”

Kunstenares Marian Breedveld noemt het atelier een „genadeloze ruimte” die met zijn „volmaakte maatverhoudingen en dwingende indeling […] het scheppen van een eigen orde niet (leek) te dulden”. Anderen klaagden domweg over de kou of het gebrek aan privacy omdat de kamers indachtig Van Doesburgs anti-individualisme geen deuren hebben, weet Beja Tjeerdsma, die bij het opgeheven Institut Néerlandais de administratie van het Van Doesburghuis beheerde en nu tot eind 2016 op het huis past. „Je leeft hier echt met de seizoenen”, zegt ze in de bij de laatste renovatie iets aan hedendaagse maatstaven aangepaste keuken.

In 2017, honderd jaar na de oprichting van De Stijl, moet het huis weer opengaan voor kunstenaars, zegt Wies van Moorsel, die nog altijd adviserend lid is van het bestuur. Zij logeerde in 1960 voor het eerst in het huis, op bezoek bij haar tante Nelly (pianiste en danseres) en herinnert zich de tijd dat er nog door Van Doesburg ontworpen meubels stonden en zijn kunst en die van tijdgenoten en vrienden aan de muur hing. „Toen zij er niet meer was, werd het een kale ruimte, die je als mens moet invullen. De een gaat dat makkelijker af dan de ander.”

In een brief aan Stijl-dichter Antony Kok spreekt Van Doesburg in 1930 de wens uit dat hij in zijn „huisje” een „soort Bauhaus of Akademie voor nieuwe Kunst” kon beginnen met kunstenaars die de schotten tussen de verschillende disciplines neerhalen. Vrienden en collega’s als Hans Arp (met wie hij eerder een paar straten verderop samen een atelierwoning wilde bouwen) en Max Ernst woonden in de buurt, schreef hij een jaar eerder aan architect J.J.P. Oud. Het is „een gezellige omgeving”.

„Het idee blijft dat kunstenaars die actief zijn op een van de terreinen waarop Theo en Nelly zich bewogen het huis zouden moeten kunnen gebruiken”, zegt Van Moorsel. Maar het huis moet „meer aansluiten op wat er in Parijs gebeurt”, vindt zij met het bestuur van de stichting. Op welke manier dat gaat gebeuren, is nog niet helemaal duidelijk, mogelijk via samenwerkingsverbanden met kunstinstellingen die al dingen in Parijs doen, overigens ook om de verblijven en daarmee indirect het onderhoud van het huis te kunnen financieren. Van Moorsel: „Het is niet de bedoeling dat je als Nederlandse kunstenaar geïsoleerd in Meudon zit.”