Column

Vergeten, toch mooi (2)

Onder de kop ‘Vergeten, toch mooi’ publiceerde ik op 29 januari in deze rubriek een titelloos gedicht van Gabriël Smit (1910-1981), een dichter die vooral religieus (katholiek) getinte poëzie schreef. In dit gedicht beschreef Smit de autobiografische, traumatische ervaring van een kind van vier jaar, dat in de sterfkamer van zijn moeder bloemen legt en daarbij moet zeggen: „Moeder, dit hebt u van ons.”

Ik kreeg er opvallend veel positieve reacties op. Eén was van een lezeres uit Utrecht, de geboorteplaats van Smit. Zij stuurde mij een lang gedicht, getiteld Utrechts drieluik, dat Smit in 1956 in Maatstaf gepubliceerd heeft. Ik citeer hieronder het eerste deel dat een vervolg lijkt van het titelloze gedicht. Hier een kind, nu vijf jaar, dat getuige is van de begrafenis van zijn moeder.

Ik droeg een nieuwe, donkerblauwe

pet. Het was benauwd, maar door

het lichte kiertje naast het zwarte

gordijn kon ik naar buiten kijken.

Straatstenen zag ik glijden, kleine

bruine, grotere met wat grijs erin.

Zo heb ik, moeder, in Utrecht u

begraven. Vijf jaar was ik en ik vergeet

het nooit. Utrecht is de stad waar

ik een nieuwe pet kreeg, donkerblauw,

omdat ik u begraven ging, u, die

ik niet kende, want zo lang al was

u ziek en zo ver weg, zo wit en ver.

Toch zat ik met een nieuwe pet, er was

iets van een feest, maar toch niet echt;

het was benauwd, alleen de stenen

van de straat waren zoals ze waren,

dezelfde, grijs, blauwgrijs, wat bruin,

buiten het koetsraam glijdend als

anders onder mijn voet. En dat kon ik

herkennen. Grootvader niet, vader

niet, niet het bedompte zwart en niet

de pijn, de hulpeloze plechtigheid

van grote mensen die niet weten hoe

zij moeten praten wanneer de dood

er is. Mijn nieuwe pet, de stenen,

meer weet ik niet. Zo heb ik, moeder,

u begraven in Utrecht, en sindsdien

is dit de stad voor mij: iets van

de dood dat, dagelijks als de stenen

van de straat, onder mijn voet verglijdt.

Ik zou er willen sterven, met mijn eigen

dood willen betalen wat ik, moeder, u

in de uwe schuldig bleef, wat ik met

mijn nieuwe pet mijzelf verschuldigd

werd: de dood te leven als een nieuw

kleed, een feest, even vanzelfsprekend als

de stenen van de straat en even

onontkoombaar, even gewoon onder

mijn voet. Lopen in de dood als in een

nieuw kleed, op een oude trouwe weg,

even gewoon en even onervaren

als wanneer ik zoekend zit te staren

en dan plotseling zuchtend ‘Utrecht’ zeg.