Ons liberalisme heeft heidenen nodig

Zihni Özdil is historicus en schrijver.

‘Materiële zekerheid vraagt sociale rechtvaardigheid (…) Solidariteit houdt niet op bij de grenzen van een land. Voor een eng nationalisme is geen plaats meer (…) Onze samenleving vormt een huishouding, waarin we allen tezamen lasten dragen naar draagkracht (…) Structurele verhoging van het AOW; invoering van een op het laatst genoten loon gebaseerd pensioen voor alle werknemers (…) De gemeenschap heeft de plicht te zorgen dat ook mensen met onvoldoende inkomsten kunnen leven.”

Bovenstaande zinnen komen rechtstreeks uit het verkiezingsprogramma van de VVD. Zo schetste de partij in 1971 haar visie voor de toekomst. In vergelijking is het huidige PvdA-programma – „bezuinigingen zijn onvermijdelijk voor het economische herstel” – een zeer ‘rechts’ document. En de VVD? Die schrijft nu: „Het probleem is dat de overheid te veel uitgeeft (…), de VVD wil daarom tot 2017 24 miljard bezuinigen.”

De woorden van Jan Terlouw in een interview in de Volkskrant van afgelopen zaterdag lijken dan ook zeer terecht: „Nederland gaat kapot aan het neoliberalisme en de verrechtsing.” Tegelijkertijd klopt het niet helemaal, want electoraal is Nederland altijd een overwegend rechts land geweest. Linkse partijen hebben in Nederland altijd een plafond van ongeveer vijfendertig procent van de stemmen. Rechtse partijen hebben altijd vijftig tot zestig procent van de stemmen gehaald. Ook weten we al sinds de jaren zeventig uit peilingen dat structureel tussen de veertig en vijftig procent van Nederland minder ‘buitenlanders’, ‘allochtonen’ of moslims wil.

Die xenofobe basis werd vroeger nooit gemobiliseerd door de politiek. ‘Jullie krijgen het slechter vanwege hunnie’ was geen aansprekende slogan omdat de xenofobe basis het niet slechter kreeg. Het tij keerde rap vanaf de jaren negentig. De ‘markt’ is sindsdien de alwetende, onfeilbare god geworden waar iedereen in lijkt te geloven. Ook de bijbehorende bezweringsformules ontbreken niet. Zo denken we dat we ‘flexibel’ zijn als we niet meer weten of we morgen nog een baan zullen hebben. Het politieke debat trekt de god van de markt nauwelijks in twijfel, maar doet een exegese over hoe die god het beste te dienen, met ‘hunnie’ als nuttige duivel. Halbe Zijlstra (VVD) legde bijvoorbeeld vorige week uit dat „onze manier van leven” bedreigd wordt: niet door de ongekende bezuinigingen op kunst, cultuur en onderwijs die hij als staatssecretaris doorvoerde, maar door de wens op sommige scholen om Tweede Pinksterdag in te ruilen voor het Suikerfeest.

Kortom, het hele spectrum is opgeschoven, zie de ‘bezuinigingen zijn onvermijdelijk’ in het PvdA-programma. Dat kun je verrechtsing noemen, maar ik denk dat het vooral een geval van enorme verwarring is. Wat vroeger ‘rechts’ was is nu ‘links’, nee zelfs ‘marxistisch’. Zelfbenoemde liberalen zijn bijvoorbeeld felle tegenstanders van vakbonden, terwijl je kunt volhouden dat vrije mensen in een vrij land in alle vrijheid kunnen beslissen om zichzelf te organiseren. Zo bezien zijn vakbonden het ultieme product van liberalisme. Aan de andere kant zijn er zelfbenoemde ‘progressieven’ die er een sport van hebben gemaakt om mensen te vervolgen vanwege hun mening. Zie bijvoorbeeld de aangiftecampagne tegen Geert Wilders, leider van de Partij voor de Vrijheid, die boeken wil verbieden.

Links, rechts, liberaal, progressief, vrijheid, enzovoorts zijn in de eenentwintigste eeuw holle frasen geworden die we te pas en te onpas, ontdaan van elke betekenis en historische context, rondsmijten.

Terlouw eindigt zijn interview met een oproep tot „een nieuwe bezinning” binnen het liberalisme. Ik denk juist dat er een flinke schep heidendom binnen het liberalisme nodig is, want de onfeilbare, alwetende markt en de afschrikwekkende ‘hunnie’ zijn net als elke andere god en duivel: als je erin gaat geloven is verwarring het resultaat.