Hoezo Julianatop? De indiaanse naam Ipinumin moet weer terug

Inheemse namen werden door de kolonisten genegeerd. Nu wil Suriname zijn geografische namen dekoloniseren.

Straat genoemd naar gouverneur Van Sommelsdijck. Foto Ranu Abhelakh

Onderzoeker Armand Zunder (70) vouwt een grote, landkaart open. Hij zet zijn leesbril op en buigt zich over de plattegrond met bergen, rivieren en bossen. „Hier ligt het Wilhelminagebergte, en daarboven de Julianatop, 1.280 meter.” Hij wijst de hoogste berg van Suriname aan. „Indianen hadden de berg, meer dan 8.000 jaar voor de Nederlanders kwamen al ontdekt en de naam Ipinumin gegeven, ‘Hij die alleen staat.’” De indianen traden er in contact met het opperwezen, een belangrijke spirituele locatie, legt Zunder uit.

Nederlandse kolonisten die eeuwen later naar Suriname kwamen, negeerden de meeste oorspronkelijke inheemse namen, en vernoemden bergen, rivieren en watervallen naar expeditieleden of de koninklijke familie. Europese arrogantie, vindt Zunder. „Kolonialisme leunde eeuwenlang op het ontnemen van de identiteit en cultuur van inheemsen en tot slaaf gemaakte Afrikanen”, zegt hij bedenkelijk.

In 2013 werd Zunder, oud-minister en van huis uit econoom, voorzitter van de Nationale Reparatie Commissie Suriname (NRCS): een door president Desi Bouterse geïnstalleerd orgaan dat de regering adviseert hoe onrecht uit de koloniale tijd en de gevolgen daarvan kunnen worden hersteld. „Veel sociale en maatschappelijke problemen zoals armoede, achterstand en een laag zelfbeeld vinden hun oorsprong in drie eeuwen slavernij en koloniale geschiedenis in Suriname”, aldus Zunder. „Er moet aan self reparation worden gedaan.” In 2010 berekende hij in een onderzoek dat Nederland Suriname 65 miljard euro herstelbetalingen zou moeten betalen als compensatie voor de slavernij. „In Nederland werd ik verguisd, in Suriname sta ik bekend als de man die miljarden komt brengen”, lacht hij.

De NRCS presenteerde onlangs adviezen aan de regering, zoals het verwijderen van Hollandse koloniale symbolen en het ‘dekoloniseren’ van geografische namen. Bergen en rivieren zouden hun indiaanse namen moeten terugkrijgen. Straten, nu vaak vernoemd naar koloniale machthebbers, moeten namen van Surinaamse helden krijgen, aldus het advies.

De Sommelsdijckse Kreek bijvoorbeeld, een beekje in het hart van Paramaribo en vernoemd naar de 17de-eeuwse gouverneur Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck, zou deze naam niet meer mogen dragen. „Onder deze gouverneur bloeide de slavernij en hij verbood huwelijken tussen zwart en wit. Waarom eren we hem nog met een straat?”, zegt Zunder. Bovendien, ook deze kreek had al een indiaanse naam: Paremoerekreek.

„Maar de gouverneur vernoemde de kreek naar zichzelf.”

De NRCS vindt draagvlak bij de nationalistisch georiënteerde regering-Bouterse. Enkele adviezen zijn al in de praktijk gebracht. Zo is vorig jaar, rond de jaarlijkse viering van de afschaffing van de slavernij, het oude wapen van de ‘Sociëteit’ (participanten: Amsterdam, West-Indische Compagnie, Van Sommelsdijck) die Suriname lange tijd in bezit had, verwijderd van de voorgevel van het presidentieel paleis. De afbeelding met slavenschip, leeuw en wapenschild maakten plaats voor het wapen van Suriname: twee indiaanse strijders, een groot schild en de woorden Justitia, pietas, fides: ‘gerechtigheid, vroomheid, trouw’. Zunder:

„Het oude koloniale wapen staat nu in een museum, daar hoort het thuis. Je kunt het symbool van een organisatie die Suriname heeft leeggeroofd en afschuwelijke mensenrechtenschendingen pleegde toch niet laten hangen?”

Het verwijderen van het koloniale wapen wordt vooral door jongeren omarmd. Scholiere Kalaya is trots dat de inheemsen nu de gevel van het 17de-eeuwse paleis sieren, zei ze in het Surinaamse Jeugdjournaal. „We zijn al veertig jaar onafhankelijk en geen kolonie meer.” Maar critici, onder wie Monumentenzorg en Stichting Gebouwd Erfgoed Suriname wijzen op geschiedvervalsing. Bovendien staat het paleis, met andere historische panden in Paramaribo als monument op de Werelderfgoedlijst van Unesco.

Ook historicus Mildred Caprino is sceptisch over de voorstellen van de adviescommissie. In het Surinaams Museum, waar ze werkt aan historisch onderzoek over vrouwen in Suriname begin 20ste eeuw, zegt ze:

„Hoezo reparatie en herstel? Daarvoor is het nog veel te vroeg. We moeten eerst verder loskomen van het verleden, onthechten van Nederland en onszelf beter leren kennen. Dat is een proces. Dat doe je niet door plaatsnamen te veranderen. Laat de oude plaatsen vooral de oude namen behouden, als herinnering aan ons koloniale verleden. Bouw nieuwe wijken en vernoem die naar onze eigen grootheden. Bouw desnoods een nieuw paleis en maak van het oude een museum, mét de koloniale symbolen op de gevel. Laten we vernieuwend bezig zijn met de blik op de toekomst.”

Caprino vindt wel dat de geschiedenis van Suriname meer vanuit een eigen perspectief moet worden beschreven. „We weten nog veel te weinig over onszelf. We moeten op onderzoek uitgaan. Dat is belangrijker dan symbolen van het verleden uit het straatbeeld halen.”

Zunder hoopt dat de regering snel de volgende fase uitvoert. Surinaamse strijders voor vrijheid en sociale rechten zoals Anton de Kom en Louis Doedel, maar ook de onlangs overleden zanger Max Nijman en schrijver-politicus Albert Helman zouden moeten worden geëerd.

„Het wachten is nu op middelen. Dekoloniseren kost nu eenmaal geld maar het effect is van onschatbare waarde.”