Hoepla, hupla, huplakee, huppakee, huppetee

ILLUSTRATIE OLIVIA ETTEMA

Hans Beerekamp voorspelde het al een dag na de uitzending van de documentaire over de Levenseindekliniek: „De introductie van het woord huppakee als kernachtige samenvatting van de doodswens van de aan semantische dementie lijdende mevrouw Hannie Goudriaan, zal gegarandeerd een eigen leven gaan leiden.”

Hij kreeg per omgaande gelijk. Niet eerder in de geschiedenis van de Nederlandse taal was huppakee – of beter: de verbinding „huppakee weg” – zo dominant aanwezig in de Nederlandse media. Dat is bijzonder, want het is een merkwaardig woord, dat in deze schrijfwijze ontbreekt in de Dikke Van Dale. Dit woordenboek vermeldt wel de varianten huplakee, huppekee en hupsakee.

Volgens de Van Dale betekent huplakee ‘hupla’. Wie dat niet duidelijk genoeg vindt, krijgt meer uitleg bij hupla. Daar staat dat dit woord twee betekenissen kan hebben: ‘aansporing om actief te worden, zich op te richten, te springen en dergelijke’; en: ‘ter begeleiding van een enkele snelle of een reeks elkaar snel opvolgende bewegingen’.

Tot vorige week kwam huppakee weleens in kranten voor, maar weinig. Dat is goed te zien in het digitale archief van deze krant (nrc.nl/archief). De 47 vindplaatsen sinds 1990 worden daar gepresenteerd in een grafiek. In sommige jaren komt huppakee helemaal niet voor, in andere jaren slechts een paar keer.

Vanwaar die lage frequentie in kranten? Ik vermoed omdat wij huppakee associëren met kindertaal. Je zegt tegen kleine kinderen: „En nu, huppakee, naar bed.” Of tegen iets grote kinderen: „Zo, hupsakee, en nou opzouten.” Maar naarmate ze ouder worden, schrap je dit woord uit je opvoedingsvocabulaire omdat het zo kinderachtig begint te klinken.

Hannie Goudriaan, de vrouw uit de documentaire, leed aan semantische dementie. Dat betekent dat het taalcentrum in haar hersens was aangetast. Dat zij juist een woord als huppakee bleef gebruiken, verbaasde mij niet. Herinneringen uit onze jeugd lijken het best te zijn opgeslagen. Dat geldt vaak ook voor woorden, uitdrukkingen en bijvoorbeeld liedjes. Er bestaat een liedje met de regel: „Een, twee, huppakee.”

Huppakee is een vormvariant van hupsakee. Waarschijnlijk is hupsakee een verbastering van de uitdrukking klaar is Kees, opperde de bekende spreekwoordendeskundige F.A. Stoett in 1925, maar het is nog een hele stap van klaar (is Kees) naar hupsa (kee). Stoett suggereerde ook dat Kees een verbastering van kaas zou kunnen zijn. Hupsakee zou dus eigenlijk betekenen: ‘Klaar is de kaas.’ Uit allerlei bronnen bracht hij voorbeeldzinnen bijeen als: „Hupsa Kees, vooruit!”; „Hup, zei Kees”; „Het is klaar as Kees hoor”; en: „Klaar is Cornelis.”

Wat Stoett volgens mij vooral aantoont is dat de herkomst van hupsakee (en dus ook huppakee) onbekend is. Huppakee is een tussenwerpsel en van veel tussenwerpsels (ahum, akkebah, argh, duh) is de herkomst onbekend of onzeker.

Gaat het om een oud tussenwerpsel? Ik vond hoepla in 1870, hupla in 1908, hupsakee in 1926, hupsekee in 1930, huppekee in 1937, huppikee in 1965, huppakee in 1971 en huppetee in 1976, maar zonder twijfel zijn die dateringen te vervroegen. Ook taalkundig gezien is het laatste woord over deze kwestie nog niet gezegd.

    • Ewoud Sanders