‘Goede muziek is een maaltijd voor het hart’

Hij was even in Nederland, om zijn eerste seizoen te presenteren. Maar pas in augustus begint Daniele Gatti écht, als zevende chef van het Concertgebouworkest. Een exclusief gesprek over Mahler, Amsterdam, traditie en vernieuwing.

Foto’s Marco Borggreve

Op YouTube staat een fascinerend videoverslag van een masterclass. Daniele Gatti neemt jonge, beginnende Italiaanse dirigenten aan de hand. Vaderlijk beweegt hij hun armen mee, bijvoorbeeld in de inzet van het Ruhevoll van Mahlers Vierde symfonie. „U drukt de klank terneer door zo schools de maat te slaan”, zegt Gatti. „Adem mee, het enige wat je dan hoeft te doen, is de musici met een geopende hand uit te nodigen. Je kunt zelfs gewoon stil blijven staan. Luisteren. Zooo mooi! Ze spreken tegen je.”

Daniele Gatti (Milaan, 1961) staat bekend als een dirigent die technisch alles kan. Zijn slag? Onberispelijk en virtuoos. Veel concerten dirigeert hij uit het hoofd – óók de zeer gecompliceerde partituren als Alban Bergs opera Wozzeck. Zijn handelsmerk? Extremen. Heftige versnellingen, grote vertragingen in – wat je er ook van vindt – zeer eigen interpretaties. De reeks voorstellingen van Wagners Parsifal in Bayreuth onder zijn leiding, oogstte verbijstering door de traagheid ervan.

„In een rustig tempo hoor je het ritmisch skelet krachtiger en klinkt alles betekenisvoller”, zegt Gatti. „Ik dacht dat nodig te hebben voor de gewijde boodschap van de opera. Later durfde ik het tempo wel wat op te voeren. Maar het blijft zo dat ik gewoon houd van trage tempi. De Bruckners van dirigent Sergiu Celibidache, prachtig! Waarom zou ik niet extreem zijn? Uiteindelijk wil je als kunstenaar herinnerd worden om je eigenheid, de risico’s die je durft te nemen, de deuren die je opent.”

Tussen het Koninklijk Concertgebouworkest en Daniele Gatti was het bij zijn debuut in 2004 „geen liefde op het eerste gezicht”, memoreert Jan Willem Loot, destijds orkestdirecteur. Gatti heeft twee gezichten. Hij is temperamentvol – in zijn eigen woorden: „gewoon een Zuid-Europeaan”. Martiale passages dirigeert hij met de linkerhand in de zij, het bekken naar voren gekanteld. Maar, zegt Loot, Gatti is ook integer en aimabel. En zijn eerste concerten met het Concertgebouworkest oogstten wel juichende kritieken. Sindsdien bleef hij in Amsterdam jaarlijks terugkeren. In zeer uiteenlopend repertoire, van klassiek tot twintigste-eeuws. Geen Mahler, aanvankelijk. Toen het Concertgebouworkest, internationaal vermaard als hét Mahler-orkest, hem in 2010 dan toch uitnodigde Mahlers Vijfde symfonie te dirigeren, was dat een sleutelmoment, zegt Gatti – met ogen die nog gaan vlammen bij de herinnering. „Natuurlijk wilde ik al die tijd al niets liever. Maar ik was te trots om er zelf om te vragen. Ik wilde dat ze zélf op het idee zouden komen dat ik Mahler aankon, dat ik iets zou toevoegen.”

De rest is orkestgeschiedenis. Chef-dirigent Mariss Jansons nam onder invloed van zijn broze gezondheidstoestand na afloop van de zeer uitputtende wereldtournee in 2014 afscheid. Gatti had toen net hoge ogen gegooid met Mahlers Negende (op diezelfde tournee) en een reeks voorstellingen van Verdi’s Falstaff bij De Nationale Opera. In oktober 2014 kwam, eerder dan wie ook verwacht had, het nieuws van zijn benoeming tot de nieuwe chef-dirigent. De voortvarendheid waarmee de adviescommissie van vijftien musici en orkestdirecteur Jan Raes hem als dé kandidaat naar voren had geschoven, viel uiteraard niet bij het hele orkest in goede aarde. Een aantal musici eiste een anonieme stemming. Gatti haalde die meerderheid, met welk percentage blijft geheim.

Milanees

De zevende Amsterdamse chef is, na Riccardo Chailly, de tweede Milanees. Hij heeft er nog steeds een huis, vertelt Daniele Gatti in restaurant Zebra Square naast het Maison de Radio France in Parijs, waar hij sinds 2008 chef-dirigent is van het Orchestre National de France, een radio-orkest. Van de Franse omroep naar het Amsterdamse Concertgebouw geldt in de internationale orkestwereld als een stevige promotie, wat ’s avonds op het concert wordt bevestigd. Een goed orkest is het, oplettend, elegante klank, prima solospelers. Maar in finesse en samenspel hoor je ook: een wezenlijk andere league dan het Koninklijk Concertgebouworkest.

In de internationale pers werd soms verbaasd gereageerd: Gatti naar het Concertgebouw? Een wat veilige keuze. Waarom niet gekozen voor een dirigent met eerdere chefservaring in de eredivisie? Gatti zelf doet, innemend oprecht, geen enkele poging zijn vreugde over de benoeming te maskeren. „De timing is optimaal”, zegt hij bij een lunch van zalm, heilbot en garnalen met, vooruit dan, één glas Chablis. „Ik ben 53, het voelt voor mij na dertig jaar dirigeren alsof hiermee de tweede helft van mijn werkzame leven begint, want ik hoop heel lang door te gaan. Ik ga het nu ook bewust een jaar of drie, vier rustig aandoen naast de veertien weken die ik per seizoen minimaal voor het Concertgebouworkest zal staan. Ik vind oprecht dat heel veel in het muziekleven te snel gaat. Waarom moet altijd alles meteen? De pers schreef: ‘Gatti is nu pas op zijn 53ste chef van een toporkest’. Hoezo pas? denk ik dan. Ik ben blij dat het me nu gebeurt en niet twintig jaar geleden, toen ik elk concert nog opvatte als een kans om mezelf te bewijzen. Nu hoeft het alleen nog maar over de muziek te gaan. Ik ben rustiger, meer ervaren en ik heb het gevoel dat ik het Concertgebouworkest en de muziek die ik uitvoer waardig ben.”

Hij hoopt op een appartementje aan het Vondelpark; vriendin Camille (zij doet de pr voor Radio France) en de hond blijven in Parijs. Naast het Concertgebouworkest verdeelt hij zijn aandacht per seizoen over één of twee opera’s (10 weken per jaar) en gastdirecties bij twee of drie toporkesten (5 weken per seizoen). „Op termijn”, zegt hij, „is een eigen operahuis naast Amsterdam zeker een optie.”

Wortels

Maar zijn tijd als globetrotter heeft hij gehad. „Ik wil nu twintig weken per jaar vrij zijn om mezelf her uit te vinden. Studeren, partituren opnieuw bekijken, nadenken, boeken lezen, vooral historische non-fictie. En vervolgens dat alles met elkaar in verband brengen.”

Lachend: „Ik zie het als een opfriskuur om stil te staan bij de schoonheid van het werk dat ik mag doen. En ook om weer zelf te componeren.” Of het Concertgebouworkest ooit een eigen werk van de nieuwe chef op de lessenaar zal vinden? „Tsja. Zeg nooit nooit. Maar ik ben geen usurpator die dat gaat afdwingen.”

Daniele Gatti is de zoon van een zingende bankemployee. Zijn ouders zijn inmiddels beiden overleden, zijn eigen kinderwens bleef onvervuld en het huwelijk met celliste Silvia Chiesa strandde.

Gatti studeerde piano, compositie, viool en orkestdirectie aan het conservatorium van Milaan. Daar, bij de piano en het zelf componeren, liggen ook de wortels van zijn voorkeur voor het dirigeren zonder partituur. „Al vanaf mijn tiende speelde ik ook op de piano alles het liefst uit mijn hoofd. Ik zie pagina’s voor me, zeker, maar ik hoor de muziek ook in mijn hoofd. Via mijn hoofd gaat het in mijn bloed zitten. Ik ervaar een diepe verbondenheid met de muziek als ik geen papier voor mijn neus heb.”

Maar er zijn ook nadelen, erkent hij. „Eén: de pers memoreert vooral je virtuositeit, niet de aard van je interpretatie. Twee: men denkt dat het ijdeltuiterij is. Daarom ben ik er een tijd helemaal mee gestopt en probeer ik het nu meer te doseren.”

De programmering van zijn eerste seizoen als Concertgebouwchef is sinds donderdag openbaar. Opvallend: in de eerste twee weken van het seizoen – de periode van de traditionele rondedans van alle internationale toporkesten langs toonaangevende Europese festivals – bijt hij zich vast in Mahler (Symfonie nr. 2) en Bruckner (Symfonie nr. 4). In juni, de staart van het seizoen, volgt Strauss’ opera Salome bij De Nationale Opera. De nadruk op traditioneel Amsterdams kernrepertoire is bewust, zegt hij. „Juist bij een wisseling van de dirigentenwacht moet de focus van een orkest heel helder zijn. Mahler, Bruckner, Strauss en Brahms zijn Concertgebouworkesterfgoed. Ook in het buitenland wil men het orkest liefst daarin horen. Dat moeten we respecteren. Maar niet klakkeloos. Ook op tournee is het voor iedereen – publiek én musici – goed ook een tweede programma te brengen met minder bekende stukken, waarin je je veelzijdigheid etaleert. Als het maar muziek is die spreekt tot mijn hart. Anders kan ik het publiek niet raken. Concerten zijn toch een soort spirituele maaltijden.”

Vraag Gatti om de componisten die wél zijn goden zijn en de zucht is niet eens zo diep. Bach, zegt hij dan meteen. En Beethoven, Wagner en Verdi. „Bij hen kom ik steeds terug, ik blijf maar boeken lezen over hun levens. Bij Verdi is het natuurlijk ook de onderwerpkeuze die me blijft boeien, de algemeen menselijke dilemma’s. Vaders en zonen, bedrog, liefde – het zijn altijd problemen die je zelf ook zou kunnen hebben.”

Gatti wil ook veel nieuwe muziek brengen. „Ook dat is een vorm van Amsterdamse traditie”, zegt hij. „Wat heeft Mengelberg al niet voor Strauss en Mahler betekend?” Grinnikend: „Ja, ik heb ook al partituren bekeken. Van Nederlandse en niet-Nederlandse componisten. Maar er zat er nog geen bij waarvan ik meteen weg was. En nee, ik noem geen namen.”

Gatti zal in Amsterdam meer Frans repertoire doen. De Russen laat hij na het era Jansons liggen. Dat geldt ook voor het Slavische en Noord-Europese repertoire, „dat staat wel heel ver van me af”. Wel op de agenda: de Tweede Weense school (Berg, Webern, Schönberg).

Voor Mahler is Gatti na het sleutelmoment met de Vijfde nog veel teruggeweest. De uitvoering van de Negende gold als een triomf en lag aan de grondslag van zijn benoeming. De Zesde werd door de pers afgekraakt als oorverdovend en nodeloos geforceerd. De Derde was de revanche: emotioneel geladen, verpletterend, trefzeker. Naar zijn blik op de Tweede in september wordt dus uitgezien zonder zorg, wat niet geldt voor de Vierde symfonie van Bruckner. Want een ervaren Bruckner-dirigent is Gatti niet. „Ik vind Bruckner ook moeilijk, ik heb zijn werk lang voor me uitgeschoven”, knikt hij. „De symfonieën 1, 2, 3, 4, 7 en 8 heb ik inmiddels gedaan. Maar niet vaak. En altijd alleen met orkesten waarvan ik chef was.

„Een goede Bruckner-uitvoering tilt je op. Maar dat lukt alleen als je recht doet aan de weidsheid van de muziek, die in direct verband staat met de religieuze boodschap. Daarin schuilt ook meteen mijn ongemakkelijkheid. Mahler vertelt in zijn symfonieën een verhaal. Je volgt de held in alle denkbare spectra tussen hemel en aarde, in alle emotionele uitersten. Het is muziek die je kunt aanraken. Bruckner niet. Zijn muziek speelt zich af in een soort kosmische superdimensie. Zoals Gurnemanz zegt in Wagners opera Parsifal: Zum Raum wird hier die Zeit, tijd wordt ruimte.” Dat is de sensatie die Bruckner verschaft als het goed is. Maar dat eist wel de juiste balans. Ik verwacht dat mijn Bruckners met het Concertgebouworkest een laboratorium zullen zijn op zoek naar die sensatie. Het laatste is er hoe dan ook nog niet over gezegd.”

Eigenzinnige interpretaties

Vrijheid. Ervaring. Waardigheid. Het zijn thema’s die bij Gatti steeds opnieuw ter sprake komen, en dat waarschijnlijk de komende jaren ook zullen blijven doen. Bijvoorbeeld in relatie tot zijn zeer eigenzinnige interpretaties. „Ik voel me totaal vrij”, zegt hij daarover. „Een dirigent is meer dan de brug tussen de muziek en het publiek. Bruckner liet soms wel vier versies achter van zijn symfonieën. Van Mahler is ook bekend dat hij dingen openliet; dirigenten de ruimte gunde om details te veranderen. De componist is de architect van de muziek, zeker, maar hij heeft ook een interpreet nodig voor de ziel in zijn gebouw. Natuurlijk doe je, als die bezieler, je uiterste best dat gebouw te doorgronden. Maar je moet je ook realiseren dat er altijd een afstand zal bestaan tussen jou en dat gebouw: de partituur. Hoe kunnen wij, nu, het wezen aanvoelen van muziek die werd geschreven bij een olielamp, in een tijd van koetsjes? Van muziek die is opgeweld uit een totaal ander levensgevoel? Ik erger me altijd dood wanneer termen als „energiek” of „dynamisch” worden gebruikt om dirigenten mee aan te prijzen. Wat helpen mij energie en dynamiek in het Adagio van Bruckner 9? Dat is gewoon bullshit. Onze tijd is snel, maar het wezen van veel klassieke muziek niet. Dus als mensen mijn uitvoeringen te langzaam vinden, denk ik: wie ben jij? God? Wie zegt wat waar is? Gerelateerd aan wat? Achter elke keuze die ik maak, zitten uren studeer- en denkwerk.”

Gatti’s weg naar het klinkend evenbeeld van zijn innerlijke voorstelling is geplaveid met grote gebaren en veel luide keelgeluiden. Op sommige van zijn opnamen hoor je die ook. In het Maison de Radio France zijn ze zelfs zeer duidelijk, ook op rij 17. Gatti schaamt zich er niet voor. „Zingen is voor mij natuurlijk. Dat heeft niet zozeer met mijn Italiaanse achtergrond of mijn liefde voor opera te maken als wel met het feit dat ik alle muziek zie als een verhaal dat verteld moet worden. Als Dutilleux een partituur schrijft die is opgebouwd uit blokken, goed, dan vertolk ik die zo. Maar heel vaak mogen de lijnen echt wel zingen. Dat geldt voor Tsjaikovski, en het geldt zeker voor vocale werken, zoals de passies van Bach.”

En die wil Gatti, conform de door Mengelberg ingezette Amsterdamse chefstraditie, ook dirigeren, knikt hij. „Al vind ik dat geen makkelijke opgave. Die passies zijn boodschappen vanuit een zeer diep, intens persoonlijk geloof. Bij elke muzikale keuze vraag ik me dan af: is dit nou wel echt juist? Toen ik de Johannes Passion vorig seizoen hier in Parijs heb ingestudeerd – de concerten gingen door stakingen helaas niet door – heb ik me getroost met de gedachte dat Bach zijn muziek ook componeerde voor falende stervelingen.”

In de twaalf jaar tussen Gatti’s debuut en zijn aantreden als chef, straks in augustus, wisselde het Concertgebouworkest ingrijpend van bezetting: veertig procent werd in de afgelopen tien jaar vernieuwd. Gatti knikt. „Dat hoor je ook. Maar de oude garde heeft zijn geheimen overgedragen, en de jongeren ervaar ik als zeer enthousiast. Ik vind het een verandering ten goede. Als ik nu voor het orkest sta, wordt er meer naar me gekeken, meer bewogen, het orkest is als geheel meer betrokken en minder stijf. En de klank van de strijkers is warmer geworden, ze spreken meer. Doet dat dan af aan de unieke Concertgebouwklank? ‘Klank’ is een begrip dat vaak in zeer oppervlakkige zin wordt gebruikt. Elke componist heeft zijn eigen geluid nodig, dus moeten we de ‘klank’ van het orkest sowieso voortdurend manipuleren.”

Zijn nog levende voorgangers, Haitink, Chailly en Jansons, heeft hij allen ontmoet. Maar dat was merendeels al een tijd terug, en over het KCO ging ook het gesprek bij zijn laatste ontmoeting met Mariss Jansons niet. Hij lacht. „Ik zou mijn eigen opvolger ook niks zeggen. Chef worden van een orkest is een avontuur dat je zelf moet aangaan. Maar ik land vorstelijk. Dit is geen orkest dat opgebouwd moet worden. Anderzijds ben ik ook niet naïef. De overgang zal ook moeilijk zijn, want elke relatie heeft moeilijke momenten. Maar als we allemaal vanuit ons hart muziek maken en streven naar hetzelfde – musiceren op topniveau en nieuwe ideeën brengen – dan zal het blijven bij productieve meningsverschillen, die je ook in een bar kunt oplossen.”