De teddybeer is een godheid

De Amerikaan Charlemagne Palestine heeft nooit willen kiezen tussen muziek en beeldende kunst. Op zijn tentoonstelling in het Rotterdamse kunstcentrum Witte de With maakt hij klanken voelbaar en zichtbaar.

De tentoonstelling GesammttkkunnsttMeshuggahhLaandtttt van Charlemagne Palestine bij Witte de With Center for Contemporary Art Foto Aad Hoogendoorn

Een zoemtoon klinkt door de ruimte, trillend, wiegend, vibrerend met ondertonen en boventonen, alsof een heel universum geperst zit in die ene klank. Het is iets tussen geluid en muziek in, een elektronische hymne.

Nothing to Say, only Listen is een nog niet eerder uitgevoerd muziekstuk van de Amerikaanse componist, musicus, performance- en videokunstenaar, beeldhouwer en schilder Charlemagne Palestine (New York, 1946, woont in Brussel), te horen op zijn solotentoonstelling in Witte de With. Palestine creëerde een Gesamtkunstwerk dat bij de bezoeker een totaalervaring teweeg moet brengen. De tweede verdieping van het gebouw is overwoekerd met kleurige knuffelbeesten, slingers, sjaals en draaiende discoballen en overal klinkt zijn muziek.

Het hart van de tentoonstelling is Palestines geliefde Bösendorf Imperial concertvleugel. In 1969 ontdekte hij het instrument in Los Angeles, waar hij lesgaf aan de experimentele, net opgerichte kunstacademie CalArts. Sindsdien is Palestine verslingerd aan zijn Bösendorfer. Na ieder optreden – ook bij de opening in Witte de With trad Palestine op – geeft hij alle lof aan de vleugel, die met 97 toetsen een bereik heeft van acht octaven en een groot resonerend vermogen bezit. Resonantie is het belangrijkste kenmerk van de muziek van Palestine, die daarom ook een voorliefde heeft voor orgel, carillon en harp. Daarnaast werkt hij met de synthesizer en produceert hij elektronische muziek. Muziek is voor hem een fysieke ervaring, de klanken zijn niet alleen hoorbaar maar ook voelbaar en soms zichtbaar. Trembling Walls bestaat uit een constructie van metaal en houten platen. De geluidsgolven worden overgebracht door luidsprekers die de platen laten trillen. Honderden kleurige balletjes van piepschuim dansen op de platen heen en weer.

De concertvleugel is geheel bedekt met knuffelbeesten, die Palestine liefkozend zijn muzen of divinities, godheden, noemt. Hij koopt ze in tweedehandswinkels of ‘weeshuizen’. De hoofdrol in Palestines pantheon is weggelegd voor God-Bear, die hij in grote aantallen laat produceren, in verschillende maten en kleuren. God-Bear bestaat uit drie teddyberen die met de ruggen aan elkaar zijn bevestigd en zo een driekoppig wezen vormen. Het is een soort sjamanistische totem die is afgeleid van Ganesha, de hindoegod met het olifantenhoofd. Palestine treedt nooit op zonder zijn fetisjobjecten, die hij vervoert in grote rode koffers. Een aantal van deze koffers staat op de overloop van het trapportaal van Witte de With, klaar voor de volgende reis.

Synagoge

Palestine is een kind van twee Joods-Russische emigranten, zijn oorspronkelijke naam is Chaim Moshe Tzadik. Vanaf zes jaar oud zong hij tijdens diensten in de synagoge, met een cantor, zonder begeleiding van instrumenten, 2½ tot 3 uur lang achter elkaar. Het rituele samen zingen, het hallucinerende psalmodiëren, is nog steeds zijn belangrijkste inspiratiebron. Vanwege zijn zangtalent werd hij toegelaten tot de Arts and Music School op Manhattan. Hij kreeg toestemming om het carillon van de St. Thomas Episcopal Church te bespelen, wat hij zeven jaar lang heeft gedaan, iedere dag om vijf uur ’s middags en drie keer op zondag. Hiertoe componeerde hij zijn eigen muziek. Later zou Palestine zangles krijgen van Pandit Pran Nath, de wereldberoemde Pakistaanse vertolker van klassieke Hindoestaanse muziek. Ook muziek uit Java, Bali en Thailand is belangrijk voor Palestine.

Palestine heeft nooit willen kiezen tussen muziek en beeldende kunst. Daarom ook houdt hij van Indonesische muziek: niet alleen om de muziek zelf, maar omdat in Indonesië een musicus een totaalkunstenaar is, die niet alleen muziek maakt, maar ook maskers beeldhouwt, danst en een goede kok is, en dit alles altijd in samenspel met anderen. Het is een soort kunstenaar dat in de westerse traditie niet bestaat.

Deze weigering te kiezen is Palestine duur komen te staan. Aan het begin van zijn loopbaan was het geen probleem. Op CalArts was alles mogelijk, het was een tijd van groot experiment. Het werk van componisten en kunstenaars als John Cage, John Baldessari, Nam June Paik, Morton Feldman en Stan Bracket was nog niet in hokjes ondergebracht of geclaimd en zij werkten allemaal samen, ongeacht de verschillende disciplines. Dit veranderde vanaf het begin van de jaren tachtig, toen de kunstmarkt een steeds grotere greep op de kunstproductie kreeg. En toen jongere kunstenaars als Jeff Koons en Mike Kelley succes kregen met sculpturen en installaties van speelgoed- en knuffeldieren, werd het Palestine door zijn New Yorkse galerie Sonnabend botweg verboden om zijn knuffelsculpturen nog langer te exposeren. Ze werden gezien als naaperij. Vanaf dat moment werd hij uitsluitend geaccepteerd als pianist.

Ook in de muziekwereld kreeg hij problemen. Palestine werd geassocieerd met de minimal music van zijn vrienden van weleer, Steve Reich en Philip Glass. Maar Palestine verafschuwt minimal music, het is hem te minimaal, in minimal music is alles strikt vastgelegd, zelfs de stilten tussen de noten. Hij is een maximalist, zegt Palestine, een ‘anti-purist’, een ‘voluptionist’, muziek is voor hem geen code of verhandeling, het is een manier van leven. Palestine noemt zijn muziek transmusic of continuum music.

Sjamanistische rituelen

De eerlijkheid gebied te zeggen dat in Witte de With het beeldende aspect van Palestines tentoonstelling volstrekt ondergeschikt is aan het geluid. De gegroepeerde knuffelbeesten functioneren als stoffering, als sfeermakers, ze zijn moeilijk op te vatten als zelfstandig beeldend werk. Maar doet dat er iets toe? Palestine slaagt er met zijn sjamanistische rituelen en handelingen in om een ‘Mesjokke Gesamtkunstwereld’ te scheppen die een bijzondere ervaring oplevert, en als geheel is de tentoonstelling zeer overtuigend. Palestine blijkt nu de voorloper te zijn van een brede jongere generatie van kunstenaars die zich niets meer aantrekken van de grenzen tussen muziek en beeldende kunst, voor wie de laptop tegelijk atelier en muziekstudio is en die elkaar op internet en overal ter wereld treffen om hun werk samen te maken en te ontwikkelen. Palestine is voor hen een groot voorbeeld.

    • Janneke Wesseling