Verdwaald in het poppenhuis van Hollywood

Hollywood krijgt nooit genoeg van Hollywood. Het Oscargala zal volgende week ongetwijfeld weer nostalgische verwijzingen bevatten naar sterren en films uit de glorietijden van weleer. In de bioscoop is momenteel Hail, Caesar! te zien, de goedmoedige pastiche op klassieke Hollywoodgenres van Joel en Ethan Coen.

Het nieuwe boek West of Eden. An American Place, een ‘oral history’ – een chique benaming voor een boek gebaseerd op interviews – over het oude Hollywood, laat vooral de schaduwzijde zien van de droomfabriek, ‘het verrotte hart van het paradijs’. Schrijfster Jean Stein is de dochter van Jules Stein, die in jaren dertig oprichter was van het succesvolle agentschap MCA. Hij vertegenwoordigde onder meer Bette Davis, Joan Crawford en Greta Garbo. Ze had zo gemakkelijker toegang tot andere telgen van de vijf geportretteerde Hollywoodfamilies.

Ze begint niet met een filmfiguur, maar met oliebaron Edward L. Doheny, die zijn stempel drukte op Los Angeles. Hij was de inspiratiebron was voor de rol van Daniel Day-Lewis in There Will Be Blood. Doheny kwam ten val bij een schandaal waarbij hij een Amerikaanse senator wilde omkopen. Doheny gebruikte zijn zoon als geldkoerier voor de schimmige deal. Hij kon de druk van het schandaal niet aan en liet het leven bij een nooit opgehelderd schietincident, waarbij ook een vriend omkwam.

In de schaduw van een patriarch is het doorgaans slecht toeven. Studiobaas Jack Warner liet zijn eigen zoon, Jack Warner jr., meermalen ontslaan, en werkte zijn broer Harry Warner op slinkse wijze het bedrijf uit. Harry bezweek daarna aan een beroerte. „Success ruined my father”, constateert Jack jr. over zijn vader.

West of Eden staat vol beschrijvingen van de eindeloze therapiesessies van Hollywoodkinderen. Die problemen zijn misschien te vergelijken met elke familie die gegroepeerd is rond een dominante, selfmade man. Wat de Hollywoodfamilies onderscheidt is het vaak moeizame onderscheid tussen fictie en werkelijkheid. Stein, die ook haar eigen familie beschrijft, vertelt dat ze zich altijd een ‘rekwisiet’ voelde, als ze als kleuter aan de sterren werd gepresenteerd door haar ouders. Kindster Shirley Temple had in de jaren dertig een poppenhuis, maar dan wel een poppenhuis op een landgoed, dat nagenoeg de omvang had van een regulier huis. Daarin kon je gemakkelijk verdwalen.