Tuinieren, maar dat is het woord niet

Anton Valens is een geestige schrijver. Dat blijkt ook uit zijn nieuwe roman. Het tuinleven staat daarin symbool voor het modderige, echte leven.

De wereld is weerbarstig in het werk van schrijver en schilder Anton Valens. Zijn helden zijn niet voor het leven gemaakt, of het nu de kunsthistoricus was die zich in de briljante novelle Vis liet vermalen in de onderlinge verhoudingen op een waddenkotter, of de held uit Het Boek Ont die een genootschap voor postvrezers (‘Ik maak jouw post open, jij de mijne. Gedeelde post is halve post’) oprichtte. Humor en absurdisme zijn daarbij de voornaamste uitlaatkleppen, geheel volgens Camus’ adagium uit De mythe van Sisyfus dat we de steen lachend de berg op moeten rollen (waarna hij weer terugrolt). Valens (1964) is dan ook een van de geestigste schrijvers van Nederland. Een schrijver van wie je een maffe titel als Het compostcirculatieplan kunt verwachten.

Dat plan wordt aan het begin van de roman uit de doeken gedaan door de verteller, schrijver en schilder Peter Vervest: het behelst het vervangen van de grote composthoop van een volkstuin door een reeks kuilen, waarin het tuinafval met compostpoeder ‘en al naar gelang het aanbod het lijk van een lijster of een konijn’ netjes afgedekt langdurig kan liggen wegrotten. Het is een van de eerste daden van Vervest nadat hij de betreffende tuin heeft overgenomen van de gestorven Jens de Jong, die tien jaar zijn redacteur was. De gebeurtenissen uit dat decennium worden in de roman afgewisseld met de werkzaamheden van Vervest in het eerste jaar waarin hij alleen de volkstuin beheert. Het maakt Het compostcirculatieplan tot een uitgesproken aards boek. Hier wordt gespit en gebaggerd, gestreden tegen mol en woelrat, getrokken aan wortels, gesjouwd met stronken en daarbij speelt op de achtergrond het grote gevaar van de volkstuin: de buren. Want zoals al Valens’ karakters is ook Peter Vervest geen liefhebber van andere mensen.

Een man met een verleden is hij ook. Kort na de verschijning van zijn debuut Keizer van de afwas, schrijft Vervest, ‘begon een innerlijke stem me aan te manen me op te hangen’. Het gevolg is een uitgesproken onhandige zelfmoordpoging, waarna Vervest in Amsterdam door Jens de Jong onder de vleugels wordt genomen. Wanneer De Jong, een zestiger, een volkstuin verwerft, vraagt hij Vervest om hem daar te helpen. Al eerder was Vervest gaan schoonmaken bij zijn redacteur. Die woont samen met een oudere acteur in wie wijlen Joop Admiraal (1937-2006) te herkennen is.

Tuinieren is een te lieflijk woord voor wat er in de volkstuin gebeurt. Het is eerder tuinvechten. Er wordt onophoudelijk gestreden tegen de elementen, waarbij de verschillen tussen de schrijver en de redacteur overduidelijk zijn: Peter wil planten vanuit zaad opkweken, Jens koopt stekjes – en hij is een groot snoeier. De tuin is aan het begin een modderpoel, maar wordt nooit een paradijs. Elk jaar begint de cyclus van werkzaamheden opnieuw: de strijd tegen het zevenblad, verzakking. Intussen gaat het leven door. Valens schrijft het vloeiend op, met neologismen die zo van Koot of Campert hadden kunnen zijn: ‘Ten tweede is de Flora zwart-wit, zodat de lezer de kleuren eigenbreinig moet invullen, niet bepaald de specialiteit van de huidige generaties, die gewend zijn dat alles wordt gefotoot.’

Ramses Shaffy

Halverwege de roman ga je je afvragen waar Valens nu eigenlijk naartoe wil. De overeenkomsten tussen tuinier en schrijver/redacteur worden breed uitgesponnen, de anekdotes over de semibekende Nederlanders rondom de acteur en zijn man (Ramses Shaffy speelt ook een bijrol) worden voor Valens’ doen zeer naturalistisch beschreven. Vanwaar dat realisme? En waarom krijgen persoonlijk leven en geschiedenis van het homopaar zo veel aandacht?

Dat blijkt in het vervolg. Daar sterft eerst de acteur en krijgt vervolgens Jens kanker. In Jens de Jong heeft de grachtengordelwatcher allang Jaap Jansen (1938-2013) herkend, de stille vennoot van de Amsterdamse uitgevers Johan Polak en Rob van Gennep. Valens’ vertelt legio anekdoten uit Jansens uitgeefverleden. Liefdevol legt hij ook de aftakeling van de even menselijke als vaardige redacteur vast, tot en met de blik op het sterfbed: ‘Hij lag op zijn zij, zijn hoofd op een hand, de knieën gebogen. Ach ideale lezer, je bent uitgelezen.’

Dan realiseer je je wat hoofdzaak en bijzaak is in deze voor Valens zo ernstige roman. Het portret van Jens de Jong/Jaap Jansen is geen element in deze roman, het is de kern ervan. Het compostcirculatieplan is vóór alles een intens beeldschoon eerbetoon aan die man. Veel meer een portret van de vriend dan van de redacteur.

In het verlengde daarvan is de volkstuin niet alleen een metafoor voor het schrijverschap, maar voor veel meer. Dat wordt extra duidelijk wanneer de vrouw van Vervest rond Jens’ dood een psychose krijgt en onophoudelijk gezelschap moet hebben om te voorkomen dat ze er een eind aan maakt. ‘Voor iemand van mijn leeftijd heb ik aardig wat vrienden verloren aan zelfmoord en andere ziektes’, noteert Vervest dan.

Zo zit het tuinleven feitelijk ingeklemd tussen de zelfmoordneigingen van Vervest en die van zijn vrouw én die van de ‘andere ziekte’ waar Jens aan sterft: ‘Hem presenteren als een verkapt zelfmoordenaar, der dagen zat, levensmoe, zou de waarheid ernstig geweld aandoen, maar van een fanatiek zelfbehouder kon je ook weer niet spreken.’

Niet alleen schrijven is als werken in een tuin, leven is dat. Of preciezer: overleven. Als je Het compostcirculatieplan uit hebt, beklijft dat beeld: de mens in de modder, onophoudelijk met snoeischaar en baggerbeugel in de weer om te voorkomen dat hij door ‘zelfmoord en andere ziekten’ wordt overmeesterd. Zijn tuintje ophogend in de strijd tegen de onherroepelijk voortschrijdende verzakking. Helemaal alleen, elk jaar weer.