Nog altijd verliefd op Leonardo

De meisjes die in de jaren negentig idolaat waren van Leonardo DiCaprio werden met hem volwassen. Tienerliefde groeide uit tot DiCaprionie: een mengeling van ironie en oprechte adoratie.

Foto redbubble.com
Foto redbubble.com

TUSCHINSKI 1, TITANIC, 24-02-1998. Het bioscoopkaartje prijkt op de eerste pagina van mijn Leonardo DiCaprio plakboek. Ik zat in de eerste klas van de middelbare school, had een bril en een beugel en was op slag verliefd. Al bij het eerste shot, als Leonardo de blonde lok uit zijn ogen blaast en met zijn vuisten op tafel slaat omdat hij met poker twee kaartjes voor de grote overtocht heeft gewonnen. Een week later hing mijn muur vol posters van mijn kersverse held en droomde ik met groeipijn in mijn knieholten van onze toekomst.

Inmiddels, bijna twintig jaar later, heb ik elke film waar Leonardo DiCaprio in heeft gespeeld gezien. Mijn liefde voor Leonardo is niet doodgebloed, in tegenstelling tot mijn andere jeugdige idolatrie voor Total Touch. Ik groeide op en Trijntje koos voor jazz. Onze breuk was onvermijdelijk.

Leonardo is nooit uit mijn leven verdwenen en dat komt door de keuzes die hij maakte. Zijn internationale doorbraak was Titanic (1997), zo leerde ik hem kennen. In What’s eating Gilbert Grape (1993) speelde hij een jongen met een verstandelijke beperking, daarmee had hij zijn eerste Oscarnominatie te pakken op 19-jarige leeftijd. Ik was het, met terugwerkende kracht, zeer met de jury eens. Maar ik bekeek ook zijn mindere films – zoals The Quick and the Dead (1995), een middelmatige western met Sharon Stone – meerdere keren. Ik nam herhalingen van de moralistische serie Growing Pains op als Leo, zo mocht ik hem inmiddels van mezelf noemen, erin voorkwam. Romeo + Juliet (1996) deed me bibberen van adoratie, de tape kreeg strepen omdat ik hem zo vaak had bekeken.

Mijn moeder zei niets over de abrupte transformatie van mijn kamer, en mijn groeiende obsessie. Verstandig. Zoals kinderpsychiater Dr. Alan Ravitz van New York University zegt: „In elke cultuur hebben kinderen, los van hun ouders, rolmodellen nodig om volwassen te worden. In onze cultuur is dat vaak een sporter, een acteur of een popster.” Leonardo DiCaprio liet me zien wat het is om mens te zijn.

Opoffering voor de liefde

In Titanic leerde hij me dat je je leven moet opofferen voor de liefde door een drijvende deur af te staan aan je geliefde. En dan dit soort dingen zeggen, vlak voordat je doodvriest: „Winning that ticket, Rose, was the best thing that ever happened to me, it brought me to you.” En nee, ze hadden niet samen op die deur gekund, ondanks de recente claim van Kate Winslet, dat was een immens gedoe geworden. Die dramatische liefde probeer ik zelf nog steeds door te voeren in mijn dagelijkse leven.

Naarmate ik ouder werd, groeide Leonardo mee. Misschien kan ik het beter andersom zeggen. Hij bleef zichzelf vernieuwen en ik probeerde zijn groei af te kijken. Bij The Beach (2000) twijfelde ik even, op dat moment raakte ik verslingerd aan de poëzie van Sylvia Plath en voelde me misplaatst intellectueel, maar bij Catch me if you can (2002) laaide mijn obsessie weer op. Met zoveel plezier speelde hij de rol van fraudeur Frank Abagnale Jr, die met zoveel charme door de weeffouten van het Amerikaanse systeem brak, dat mijn liefde onvoorwaardelijk werd. Voor The Aviator (2004) kreeg hij zijn tweede nominatie, ik keek de film maar twee keer. Liever zette ik Celebrity (1998) nog een keer op, een film van Woody Allen, waarin Leonardo een kleine rol speelt waar hij zijn eigen sterrenstatus op de hak neemt.

Pruilmondje DiCaprio

Als tiener had ik twee shirts van Total Touch, die ik zonder schaamte op de basisschool droeg. Een T-shirt van Leo had ik niet, ze waren niet te koop in de Expo cadeauwinkel, waar ik wekelijks speurde naar nieuwe posters. Pas op mijn 22ste kreeg ik van een vriendin haar eigen shirt met mijn held, omdat ze dacht dat ik het meer kon waarderen dan zijzelf. Als twintiger heb ik mijn fanliefde nooit meer verborgen. Het liefst kijk ik voor de zoveelste keer The Wolf of Wall Street (2013) in een van mijn overdramatische Leonardo-shirts. De voorkant staat vol portretten uit de tijd dat hij zijn slechtste film ooit heeft gemaakt: The Man in the Iron Mask (1998). Op de achterkant is zijn hoofd gigantisch en tuurt hij betekenisvol in de verte.

Mijn ander, iets minder schreeuwerig shirt, met de overbekende lokfoto, had ik eens aan naar feestje. „Pruilmondje DiCaprio”, zei een jongen gekscherend. Hij zag duidelijk nog niet dat Leonardo de beste acteur van zijn generatie is, met hem in discussie gaan vond ik zonde van mijn tijd. „Leonardo”, kwijlde een meisje, bij haar moest ik vandaan blijven, dacht ik in eerste instantie, Leonardo was voor mij alleen. Nu heb ik samen met dat meisje een whatsappgroep die ‘Leo fanclub’ heet. We sturen elkaar artikelen over het nog te realiseren ecoresort van Leonardo DiCaprio op een eiland voor de kust van Belize (waar we zodra het opent in 2018 de eerste kamer huren) en foto’s van dikke Russische lookalikes.

Je kunt dit alles als ironie wegzetten. Wanneer ik een Total Touch shirt aan zou trekken, zou dit uit ironie zijn, of nostalgie hooguit, niet meer dan dat. Maar met mijn adoratie voor Leo is iets anders aan de hand. De Leo-mania, die door de Titanic teweeg werd gebracht (en die 200 fans ertoe bracht boze brieven naar de Academy Awards te sturen omdat hun idool niet genomineerd was voor een Oscar), bestaat niet meer. Ik vraag me zelfs af of wie zich nog kwaad maakt als Leonardo weer naast de Oscar grijpt aanstaande zondag, The Revenant (2015) is bepaald niet zijn beste film. Toch hoop ik met heel mijn hart dat hij hem wint. De tienerliefde in mij is nooit gestorven, maar uitgegroeid tot iets nieuws. Laten we het DiCaprionie noemen: een mengeling van ironie en oprechte adoratie. En hopelijk kan ik maandag eindelijk mijn plakboek uit de kelderbox halen om het bericht over Leonardo’s eerste Oscar in te plakken.