Hout baas

In Leiden beheert Pieter Baas de grootste houtcollectie ter wereld, een ‘xylarium’ met 130.000 houtmonsters. ‘Ik ben geen bomendokter.’

Potje met gedroogde vrucht uit de collectie economische botanie.

Als douaniers in de haven van Rotterdam bij een controle vermoeden dat een container illegaal hout bevat, sturen ze Pieter Baas een fotootje. Baas (71) is houtanatoom bij Naturalis en in Nederland een autoriteit binnen zijn vakgebied. „Ik ben het zelfs mondiaal”, lacht hij. Licht voorovergebogen loopt hij door het archief: planken vol bruine dozen met etiketten, potten met bruine snippers en soms een losliggend stuk hout met een post-it. Hier in Leiden ligt de grootste houtcollectie ter wereld. Een verzameling van zo’n 130.000 houtmonsters, nagenoeg allemaal netjes gelabeld, opgeborgen in herbariumdozen en gerubriceerd. Behalve een loods in Leiden is er een opslag in Zoeterwoude, de botanische dependance van Naturalis.

„Ik heb douaniers opgeleid, ze allerlei houtanatomische kenmerken geleerd en laten zien hoe ze houtmonsters kunnen gebruiken als referentie. Als er vermoedelijk illegaal hout de haven van Rotterdam binnenkomt, kunnen ze het materiaal vergelijken met preparaten in het archief.” De douaniers bepalen zo wat voor hout het is en of het mogelijk illegaal gekapt is. Als ze er niet uitkomen, bellen ze Baas.

Maar een uitgebreide houtcollectie is ook belangrijk voor onderzoek, legt hij uit. „Voor de kennis van de hele natuur zijn kennis over boomsoorten en boombiologie essentieel. Daarmee bedoel ik: houtonderzoek is belangrijk voor het ordenen van het plantenrijk en het reconstrueren van de boom des levens. Dat is de stamboom van het leven, waarbij iedere tak een afstamming voorstelt van vooroudersoorten en hun nakomelingen.”

Stoelen van de Xenos

Zijn leukste identificatieklus was afgelopen zomer. Naturalis voerde een project uit voor het Wereld Natuur Fonds. De vraag: welke houtsoorten zijn er te vinden in de Nederlandse supermarkten, meubelhandels en muziekhandel? En: is het ook wat men zegt dat het is, of zitten er illegale houtsoorten tussen? Is een tuinstoel van Xenos waarop staat dat hij van teakhout is daadwerkelijk van teak gemaakt? Van de zestig houtmonsters bleek dat 17 procent fout was gedetermineerd. Het tuinmeubilair dat als teak werd verkocht, was ook werkelijk van teak. Maar een „notenhouten keukentafel” (niet van Xenos) bleek gemaakt te zijn van goedkoop populierenhout.

Daar maakt Baas zich druk over. Overigens niet door zijn stem te verheffen. Baas blijft immer rustig, maar in zijn ogen zie je de opwinding. De pret van het ontdekken. In zijn 51-jarige carrière deed hij veel ontdekkingen. Hij pakt zijn eerste vondst erbij: een serie rechthoekige stukjes hout beschilderd met groene bladeren. De monsters komen uit Hokkaido in het noorden van Japan en zijn beschilderd door geograaf Mogami Tokunai. De bladeren zijn afbeeldingen van de boom waar het hout van is. Tokunai doneerde deze collectie in 1823 aan zijn vriend Philip Franz von Siebold, een Duitse arts die begin negentiende eeuw in opdracht van de Nederlandse overheid de handel met Japan verkende. Dit doosje historisch materiaal stond jarenlang in de assistentenkamer van de afdeling Botanie. Niemand wist waar het hout vandaan kwam. In de jaren zestig vond Baas, toen student-assistent, een brief met daarin de beschrijving van vijfenveertig houtmonsters beschilderd met bladeren van het schiereiland Jezo, het huidige Hokkaido. „Ik dacht: verdomd, dat zijn ze! Ineens was het doosje met houtjes, waarmee we bij wijze van spreken klaverjasten, heel waardevol.”

Voor de collectie is ook vanuit het buitenland belangstelling: zo komen geregeld Japanse onderzoekers hiervoor naar Nederland. „Ik mocht ook een keer businessclass op kosten van Japan daar naartoe reizen om een aantal doubletten van Von Siebold cadeau te doen aan het land. Daar is toen een hele tentoonstelling van gemaakt.” Doubletten? Iedere verzamelaar maakt doubletten, zegt Baas. Als hij bijvoorbeeld monsters neemt van een struik, dan maakt hij tien exemplaren. De dunne plakjes hout gaan op een dekglaasje en dat kan onder de microscoop worden bekeken. Baas bewaart twee preparaten voor zijn eigen collectie, de rest wordt ingezet als ruilmiddel met collega’s bij andere archieven. Zo bouw je een collectie op.

Niet per se trots

Sinds de houtcollecties van Wageningen, Utrecht en Amsterdam in 2012 zijn samengevoegd in Leiden, beheert Naturalis het grootste ‘Xylarium’ (houtcollectie) ter wereld. Het tweede, met 110.000 exemplaren, staat in de Amerikaanse stad Madison in Wisconsin. De collectie van Baas is vooral gericht op hout uit Zuidoost-Azië, (tropisch) Amerika, Afrika en Nederland. Het oudste sample is uit 1750 uit Java. Baas was „niet per se” trots toen hij ontdekte dat hij de grootste collectie ter wereld beheert. „Het is een schijnvictorie, want een grote collectie zonder personeel dat er actief aan kan werken is ook een blok aan je been. Collectiebeheer vereist aandacht. Het is zonde om geen onderzoek te doen met al dit materiaal. De Siebold-houtjes zijn prachtig voor in een museum, maar de rest is buitengewoon onaantrekkelijk voor publiek, dus je wilt zo’n grote collectie vooral nuttig maken voor nieuw en innovatief onderzoek.” Zijn opvolger, de jonge houtanatoom Frederic Lens, zal dat oppikken, maar de collectie is groot genoeg voor drie complete onderzoeksgroepen, zegt Baas.

Op zijn wensenlijstje staat een grootschalig onderzoek over aanpassingen van bomen en struiken aan klimaatomstandigheden. „Als je in een Europees natuurbos, dus geen plantagebos, samples neemt van alle aanwezige houtsoorten en die houtanatomische kenmerken koppelt aan kennis over klimaatveranderingen, dan levert dat kennis op over hoe bomen en struiken zich door de jaren hebben aangepast aan hun omgeving. Waarom zijn bepaalde houtsoorten succesvol in de ene biotoop en in de andere niet? Vervolgens kun je ook zinnige dingen zeggen over wat de opwarming van de aarde gaat betekenen voor het overleven van bossen. En welke netwerken je kunt aanleggen om ervoor te zorgen dat die soorten overleven of kunnen ‘vluchten’, naar een hoger gelegen koeler gebied bijvoorbeeld. Zonder een uitgebreide referentiecollectie kun je geen onderzoek doen.”

Hij stuurt zijn jongere collega Liza Lankhaar een laddertje op om „iets moois” uit een herbariumdoos te pakken – er liggen hier ook gedroogde bloemen en planten. „Een krokus uit het Van Royen-herbarium graag, mooi gemonteerd. En iets met een vaasje”, zegt hij. Lankhaar heeft bladeren op haar arm getatoeëerd. Waarom wil Baas juist deze krokus laten zien? „Een blaadje uit de collectie van een van de bestuurders van de Leidse Universiteit, uit het begin van de achttiende eeuw. Gedroogde planten werden toen niet alleen gemonteerd op papier, maar ook versierd met uitgeknipte vaasjes en andere decoratie. Tsja, daar word ik vrolijk van.”

Niet met blote handen

Baas wijst ook het ‘historisch herbarium’ aan: boeken van een paar eeuwen oud. Het oudste exemplaar is uit de zestiende eeuw, je mag er niet met je blote handen aanzitten. Het archief is overigens geen grote klimaatkast; de ruimte wordt droog gehouden, maar niet op temperatuur, dat is niet nodig. Verder is het zaak dat de tapijtkever (ook wel museumkever genoemd) hier geen kans krijgt. Uit voorzorg is het volledige archief laatst vijf dagen bevroren: de desinfectie van alle collecties gebeurde in speciale vrieskamers waar de temperatuur werd teruggebracht naar min dertig graden.

Het geheel ziet er hip uit: de glazen potten met zaden en vergeelde papieren met gedroogde bloemen zouden niet misstaan in een modern interieur met vintage elementen. Op Marktplaats doen oud onderwijsmateriaal en herbariumplaten het goed, hipsters lijsten ze in en hangen ze aan de muur in de keuken, maar hier worden ze gekoesterd.

Als je Baas vraagt naar de waarde van de collectie, zegt hij: het is onvervangbaar. Op verzoek maakt hij een berekening van wat het zou kosten om zo’n collectie op te bouwen. „Een expeditie naar de tropen kost al gauw 20.000 tot 30.000 euro. Onderzoekers brengen dan tweeduizend exemplaren mee terug. Alles wat hier binnenkomt wordt nagedroogd, planten moeten worden gemonteerd, specialisten geven de planten een voorlopige naam en identificatie. Per saldo zal één exemplaar alleen al aan arbeidsloon 40 tot 60 euro kosten. Keer 130.000 kom je uit op minder dan 10 miljoen en dat vind ik eigenlijk veel te laag. Bovendien zijn zeldzame soorten en exemplaren uit oude culturen soms niet meer terug te vinden.”

Als hij op een verjaardag zegt dat hij houtanatoom is, beginnen mensen vaak over een boom in de tuin die niet goed groeit en gele blaadjes heeft. Ik ben geen bomendokter, zegt hij dan. Voorlopig blijft hij zijn vak nog uitoefenen. „Ik heb geen einddatum in zicht. Old soldiers never die, they just fade away. Pas als ik voel dat ik het minder leuk vind, ga ik afhaken.”