Opinie

    • Jannetje Koelewijn

Een ballerina van 93 jaar

De buurvrouw van mijn moeder ziet eruit als een ballerina, ondanks haar 93 jaar. Ze is frêle en heel slank, ook omdat ze al maanden niet meer eet. Haar halflange witte haar danst om haar hoofd als ze heen en weer loopt door de gang, op zoek naar haar kinderen. „Waar zijn ze nou? Waar zijn ze nou?” Zacht, zingend bijna, of is het jammeren? Als ze haar kinderen weer niet heeft kunnen vinden zegt ze: „Ik ben zo ongelukkig. Ik ben zo ongelukkig.” De hele dag door.

Soms probeert ze met me mee te lopen als ik de deur van het slot doe om naar buiten te gaan. Dan duw ik haar voorzichtig terug en fluister een halfhartig sorry. „O”, zegt ze dan. „O.” Ze kijkt me een paar seconden verbijsterd aan en loopt weer terug. „Waar zijn ze nou?”

Een andere buurvrouw roept de hele dag „godverdomme” en „help me nou, help me nou”. Als ik langs haar loop op weg naar mijn moeders kamer kijkt ze me woedend aan. „Wat kom je doen? Waarom help je me niet?” Ik heb geleerd om haar vriendelijk gedag te zeggen en haar verder te negeren. Weer een andere buurvrouw heeft een baby van een paar maanden, een meisje. Ze heeft haar de hele dag op schoot, ook als ze eet, en ze straalt als een jonge moeder als ik de plastic wangetjes van haar kindje streel en zeg hoe mooi ze is. „Ze is lief”, zegt ze dan. „En zo rustig. Ze vindt alles leuk.” Daarna draait ze de kop van de pop naar zich toe en zegt: „Toch? Lieve schat?” De buurvrouw tegenover haar in de huiskamer moet daar altijd om lachen en begint dan aan een lang verhaal waar ik geen woord van versta.

Mijn moeder is op deze afdeling van acht dementerenden ‘de beste’, zoals dat heet. Ze praat samenhangend – tien fraaie volzinnen die ze op het juiste moment weet te gebruiken – en ze kleedt zichzelf aan, meestal tenminste. Ook is ze de enige die nog handig genoeg is om aardappels te schillen en de was te vouwen, al doet ze het alleen als haar verzorgsters haar aanmoedigen – „Wilt u ons helpen, mevrouw Brak? Komt u bij ons zitten?” – want eigenlijk vindt ze dat ze in haar leven al genoeg aardappels heeft geschild. Tegen mij zegt ze dan dat ze geen nee durfde te zeggen. „Je weet nooit wat de consequenties zijn.”

Maar ook mijn moeder heeft geen idee waar ze is of hoe ze daar gekomen is, laat staan waarom. Zelf zegt ze dat ze „lichamelijk en geestelijk gelukkig nog goed is” en aan de mensen met wie ze samenwoont valt haar niets bijzonders op. Of beter: ze ziet ze niet eens en ze hoort ze ook niet. Wat het allemaal wel verdraaglijker maakt, maar toch niet kan verhinderen dat ik elke keer weer denk hoe we met alle verbeteringen van de gezondheidszorg ook dit tranendal hebben gecreëerd.

    • Jannetje Koelewijn