Bij Catwalk mag gelachen worden

De sfeer bij tentoonstelling Catwalk is meer nachtclub dan archiefkast. Door Sandra Heerma van Voss

De tentoonstelling Catwalk in het Rijksmuseum. Foto Carola van Wijk

Een ‘subjectieve tentoonstelling’, noemt fotograaf en vormgever Erwin Olaf Catwalk bescheiden – het is een selectie, geen totaalbeeld. Dat kon ook niet anders met een modecollectie van zo’n 10.000 voorwerpen om uit te kiezen, daterend van circa 1700 tot 1960. Allemaal gedragen door welgestelde Nederlanders, en veelal middels particuliere schenkingen in bezit van het Rijksmuseum gekomen. Behalve kleding kwam er zo telkens ook een levensverhaal bij. En dan zijn er de nog oudere stukken – relieken bijna – uit de geschiedenisafdeling; om de kolossale linnen onderbroek van Hendrik Casimir, graaf van Nassau Dietz (1612-1640) kun je als samensteller niet heen.

In het zaaltje dat aan de zeventiende eeuw is gewijd, pronkt het ding besmeurd van het slagveld in een vitrine – het is de tweede stop op de korte route waarlangs de Catwalk-bezoeker geleid wordt, en tegen die tijd is al duidelijk dat lachen hier mag. Bij de ingang ligt een beletterde loper die uitnodigt om zelf even het modellenloopje te oefenen; overal klinkt muziek; de verlichting is zwoel, mystiek. De sfeer is meer nachtclub dan archiefkast.

Olaf werkte voor Catwalks nauw samen met kostuumconservator en -expert Bianca du Mortier en koos daarbij wijselijk voor de rol van gefascineerde buitenstaander, met genoeg afstand om meer filosofische vragen over mode als leidraad te nemen. In de zaal met kinderkleding bijvoorbeeld komen op een draaiende carrousel snoezige jongens- en meisjeskostuums voorbij, begeleid door flarden van kinderliedjes. ‘In de maneschijn…’ zingen zieltjes van eeuwen terug, terwijl de muurtekst meldt dat er tot eind achttiende eeuw helemaal niet zoiets als kinderkleding bestónd. De jongens moesten in pak, de meisjes in korset – maar dan wat kleiner. Het rijmt met de hedendaagse neiging om kinderen en volwassenen vrijwel identiek te stylen.

Wow, denk je na het eerste rondje

De aan ‘vormen’ gewijde zaal is ook al zo slim bedacht. Dankzij de belichting wordt van een reeks prachtige achttiende- en negentiende-eeuwse japons duidelijk welk deel van het ‘nu eenmaal onveranderlijke’ lichaam ze moesten accentueren. Pronte boezem of uitstekende kont, hoge of lagere taille? De communis opinio over wat aantrekkelijk is blijkt al sinds jaar en dag zo veranderlijk als wat. Bewondering voor het vakmanschap, tot in detail toegelicht in heldere bijschriften en relativering van waar de mens toch al die moeite voor doet, gaan hier hand in hand.

Het grootste decorstuk, een lopende band waarop 22 jurken uit de twintigste eeuw voorbij glijden, is een plek om lang te willen blijven. Wow, denk je na het eerste rondje, die Dior, die Balenciaga. En na het tweede: wat grijpt de geschiedenis soms hardhandig in. Rond de Tweede Wereldoorlog wordt de stoffenschaarste acuut en ‘morphen’ de jurken voor je ogen tot iets soberders, minder feestelijk. Zelfs gordijnen werden vermaakt. Een gewaad met landenpatroon blijkt in Indië te zijn vervaardigd uit de zijden landkaarten die RAF-piloten bij zich droegen.

Zo legt Catwalk haarscherp de essentie van de mode bloot: een mix van noodzaak en spel, ambacht en idee, natuur en manipulatie.

    • Sandra Heerma van Voss