Lezers schrijven over de Levenseindekliniek

Er kwamen veel ingezonden brieven binnen over de documentaire over de Levenseindekliniek, die vorige week op televisie was te zien.
We selecteren er een aantal.

Huppakee – doe ’t zelf

Dat we de dood niet cadeau krijgen, is voor mij vaak letterlijk zichtbaar. Dat het soms mensonterend is tot het einde door te gaan, is vaak invoelbaar. Maar dat de Levenseindekliniek na toetsing van de drie casussen in de documentaire niet berispt werd, is voor mij onbegrijpelijk.

Als het zelfbeschikkingsrecht van de mens primair staat, had er toch een andere route gekozen kunnen worden, namelijk het verstrekken van een dodelijk middel. Zeker in twee van de drie gevallen had dat volstaan: deze patiënten waren immers in staat het middel tot zich te nemen.

Voor de arts veel minder belastend, voor de patiënt een handeling die zijn autonomie onderstreept. Onbegrijpelijk dat er artsen zijn die niet meegaan in deze nuancering bij een zelfgekozen levenseinde, en zich er voor lenen het leven simpelweg door een spuitje te beëindigen.
Pauline Baijer, Uitvaartondernemer Wassenaar

Meer eisen gaat niet

In de bijlage Opinie & Debat van 20 & 21 februari stelt de verbijsterde klinisch ethicus Erwin Kompanje dat de euthanasie van mevrouw Goudriaan vragen oproept.

In de tijd dat mevrouw Goudriaan nog helder was heeft zij een euthanasieverklaring met dementieclausule ondertekend.

Daarin heeft ze de situatie waarin ze verzeild is geraakt, omschreven als reden om niet meer te willen leven. Voorheen was mevrouw Goudriaan een intelligente vrouw die goed kon redeneren en argumenteren.

Dat zij nu niet meer in staat is gestelde vragen te interpreteren als vragen waarop van haar een reactie wordt verwacht, noch adequaat kan reageren op gestelde vragen, betekent voor haar een ondraaglijk lijden.

Daarnaast is de situatie uitzichtloos, haar woordenschat zal namelijk alleen maar afnemen en het leven wordt steeds minder begrijpelijk.

Hoe kan Kompanje dan verwachten (zelfs eisen) dat mevrouw Goudriaan nog een keer de eerder duidelijk aangegeven wens tot euthanasie naar voren brengt?

De zo gevreesde, in haar ogen wanhopige en onmenselijke, situatie is bereikt. Welke vragen zouden dan moeten worden opgeroepen?
R.K. Selier, Amstelveen

Liefdevol bejegenen

De discussie over euthanasie zou helemaal niet nodig moeten zijn als wij de oudere/gehandicapte mens met meer liefde tegemoet zouden treden. Waar blijft de liefdevolle bejegening?

Tehuizen waar geen warmte in zit, overbelast en soms slecht opgeleid personeel; ouderen die door het nieuwe beleid 24 uur per dag alleen zijn. Kinderen – en met name vrouwen – die vele taken op zich moeten nemen.

Minister Schippers en staatssecretaris Van Rijn, beiden Volksgezondheid, hebben deze situatie gecreëerd. Op deze manier zou ik ook willen kiezen voor de dood. Dat is dan minder dan deze onttakeling. Overigens hebben wij niet veel te kiezen als we in deze situatie terecht komen. Helaas.
Vera Goossens, Echt

Na de dood verder

In de uitgebreide aandacht over De Levenseindekliniek mis ik één aspect. Alsof er wetenschappelijke consensus over is, wordt doodgezwegen dat allerminst vaststaat dat de overledene na afloop rust zal vinden. In een miniparabel van een sceptische theoloog: nergens vind je een zo grote concentratie leugens als op het kerkhof.

Overal die woorden ‘Hier rust …’. Helemaal onjuist! In de eerste plaats rust de dierbare zeker niet, en als hij toevallig nu net even mag uitrusten, is het zeker niet hier. Het staat allerminst vast dat hierna niets meer is. De verhalen over bijna-dood-ervaringen, die enige tijd geleden een hype waren, zijn nu verstomd. Ze verdienen niet alleen de kritische kanttekeningen die ze destijds kregen, maar ook serieuze aandacht. Veel mensen beleven enigerlei vorm van postmortaal voortbestaan als realiteit. Wie deze gedachte in de euthanasiepraktijk stilzwijgend buiten beschouwing laat, doet hen die dat zo beleven onrecht.
Dr. Hugo S. Verbrugh, arts Rotterdam

Drion voor allen

Wat ik mis in de hele discussie over euthanasie, is de vraag wat derden (overheid/rechterlijke macht/doktoren) überhaupt te maken hebben met de doodswens van een individu, en dus ook met het uitvoeren daarvan.

Waarom moeten ineens zogenaamd hooggeleerde heren bepalen of iemand lijdt aan ondraaglijk lijden?

Waarom mag iemand niet gewoon voor zichzelf bepalen, geheel bij zinnen en verstand, of en wanneer hij genoeg heeft van het leven? Zelfs zonder dat er sprake is van ziekte of pijn. Het hele leven mag de volwassen mens alles zelf bepalen, van kleine zaken tot grote zaken, maar over het meest persoonlijke – het leven zelf – wordt hem dat recht ontnomen.

Iemand die oud is en der dagen zat, die vrienden en familie heeft verloren, en die te kennen geeft dood te willen zonder dat er een slopende ziekte om de hoek gluurt, wie zijn wij (de anderen) dan om te bepalen of dat mag?

Jean-Paul Sartre had meer dan gelijk: l’enfer, c’est les autres.
Ivo Weyel, Amsterdam

Zoek de echte dialoog

De uitzending Levenseindekliniek mondde helaas uit in een vruchteloze discussie achteraf, tussen twee sterk oppositionele uitersten.

Het werd een heilloos gesprek waarbij de deelnemers geen enkele poging deden elkaar te begrijpen. Daarmee leidde deze poging tot genuanceerde beeldvorming over dit fragiele thema niet tot het gewenste doel. Want wat moest de kijker met deze exercitie?

De documentaire gaf te weinig inkijk in het proces van afweging om al dan niet met het verzoek om euthanasie in te stemmen. Daardoor werd het moeilijk de wens tot beëindiging van het leven in te voelen – laat staan deze te begrijpen.

Dat gold met name de in vol ornaat uitgezonden euthanasie van de dementerende vrouw, geflankeerd door haar fanatieke echtgenoot en de door de wol geverfde arts.

Er was meer aandacht voor het euthanasieproces dan voor de fase van besluitvorming – terwijl de discussie uiteindelijk juist het laatste betrof.

Het staat niet vast dat er na de dood rust is.

Euthanasie en hulp bij zelfdoding zijn precaire en moreel geladen kwesties die dwingen tot zeer genuanceerde oordeelsvorming. Het feit dat men zich nogal eens krachtig voor dan wel tegen positioneert, komt doordat essentiële waarden in het geding zijn: het gaat je onmiddellijk aan het hart.

Het onderwerp is te belangrijk om onbesproken te laten: de vraag waar de grenzen liggen van euthanasie en hulp bij zelfdoding moet gevoerd worden, op een manier waarbij meerdere perspectieven volwaardig aan de orde komen.

De documentaire laat zien dat (existentiële) vragen over het goede leven zich niet lenen voor een twistgesprek.

Dergelijke thema’s vereisen een zorgvuldig gesprek waarin recht wordt gedaan aan alle perspectieven zodat uiteindelijk een genuanceerd standpunt gevormd kan worden. Zo’n gesprek is een dialoog: een gedisciplineerde vorm van luisteren en vragen stellen onder leiding van een specifiek getrainde gespreksleider. Deelnemers worden uitgedaagd hun vooronderstellingen te bevragen in plaats van zich te positioneren.

Hiermee voorkom je dat een vruchtbaar gesprek in de kiem wordt gesmoord.

Indien zo’n structuur was gehanteerd in het nagesprek over de Levenseindekliniek, waren zowel de sprekers als de kijkers vele malen wijzer geworden en was er ruimte gebleven voor het vormen van een eigen oordeel op basis van redelijkheid en luisterbereidheid. Nu bleven we achter met de vraag ‘met wie moet ik het eens zijn?’ Daar is patiënt noch hulpverlener mee geholpen.
Froukje Weidema, ethica. Guy Widdershoven, hoogleraar Ethiek en Filosofie. VUmc Metamedica, Amsterdam

Allemaal subjectief

Zou je onder verwijzing naar de uitspraak van Erwin Kompanje in de krant van afgelopen zaterdag (Hoe kan iemand anticiperen op onvoorspelbare toekomstige ervaringen?) euthanasie moeten tegengaan – niet alleen bij mensen lijdend aan dementie, maar ook bij mensen die daar niet aan lijden en bij volle bewustzijn zijn? En is elke interpretatie niet een subjectieve interpretatie? Niet ook die van Erwin Kompanje, kijkend vanuit zijn stoel?

Hier betrof het overigens een subjectieve interpretatie, getoetst door een onafhankelijke commissie. Ook allemaal subjectief natuurlijk, maar er was binnen de commissie wel intersubjectiviteit.
H.W. van den Ende, Arnhem