Column

Mijn vader, de held (slot)

Raoul de Jong ging de afgelopen maanden op zoek naar zijn vader en zijn geschiedenis. Eerdere afleveringen hier.

Zo beste mensen, dit is mijn laatste column in deze reeks. Speciaal voor de gelegenheid zit ik in Bar Riverside, een barretje onder kokospalmen, aan de Surinamerivier. Waar lachende Surinaamse opa’s in tropische overhemden bier drinken en luisteren naar jarenzestigsoulmuziek. Het is mijn favoriete plek in Paramaribo, de plek waar ik voel hoeveel ik hou van mijn vader.

Twee jaar geleden ontmoette ik mijn Surinaamse vader voor het eerst. Achtentwintig jaar lang was hij geen vader geweest en toch leken we op elkaar. Niet alleen qua uiterlijk, dat was het rare. In eerste instantie zag ik daarvan vooral de negatieve kanten. Ik wilde uitvinden wat daar wél leuk aan was. Wat er mooi is aan mijn vader. En zo kwam ik hier, in Suriname.

De geschiedenis van Suriname is een donkere geschiedenis, veel donkerder dan ik dacht. De lichte kant van het verhaal is dat de verliezers de duisternis hebben overleefd. Ze werden uit elkaar gedreven, mishandeld en gehersenspoeld, maar ze zijn er nog steeds. En anders dan de winnaars, kwamen ze uit de duisternis met een lach. Het deed me afvragen wie in deze geschiedenis de winnaars waren en wie de verliezers. 

Het is niet zo dat de verliezers nooit gesproken hebben, wij hebben hun stemmen alleen nooit gehoord. Dat is niet jammer voor de verliezers, dat is jammer is voor onszelf. De geschiedenis van de verliezer blijkt vol met helden, als je daar naar zoekt. Ik heb geen ruimte om hun verhalen te vertellen, dus geef ik hun namen. Zoek ze op! Gewoon, omdat je daar vrolijk van wordt: Boni, Baron, de Djoeka’s, de Aucaners, de Saramaccaners, Dolfie Gravenberch, Anton de Kom, Theo Comvalius, Sandew Hira, Bram Behr, Rita Rahman, Leo Balai, Frank Dragtenstein, en mijn grootste vriend in Suriname, Iwan Brave.

Wat je van hun verhalen kan leren, heeft uiteindelijk weinig met zwart of wit te maken. Net zoals je niet uit India hoeft te komen om iets van Gandhi te leren. Ik vond ze doordat ik wilde weten wat er mooi is aan mijn vader, maar door hun verhalen begreep ik wat er mooi is aan het zijn van een mens: het is mogelijk om verzet te plegen. Om geen genoegen te nemen met een halve waarheid. Om lief en zacht en menselijk te blijven, zelfs wanneer dat strafbaar is. Om uit de keuzes die je hebt te blijven kiezen voor het lichte. En zo de wereld een beetje leuker te maken. Voor jezelf en voor de kinderen van je kinderen van je kinderen.

En dan is er mijn vader. Die nooit een vader was en toch zo duidelijk mijn vader is. Hier, onder de kokospalmen, tussen de zachte Surinaamse opa’s in tropische overhemden, een dag voordat ik terug zal vliegen naar Nederland, is het niet heel moeilijk om te zien wat mooi aan hem is. Mijn vader is geen filmster, maar hij is de man die mij het leven gaf. Ik kreeg zijn land, zijn geschiedenis, en alles wat hem goed en slecht maakt erbij.

Dus lieve vader, mooie man, grote held, er zijn duizend dingen ik je nog wil vragen en vertellen, maar voor nu alleen maar dit: dankjewel. Niet van jou houden is als niet houden van mijzelf. Ik zou geen andere vader willen hebben. Ik vind je mooi zoals je bent, mijn vriend.